I Algemeen
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1. Strekking en doelstellingen van de Wet op de architectentitel
De Wet op de architectentitel regelt wie zich kan doen inschrijven in het architectenregister. Degene die is ingeschreven in het architectenregister is gerechtigd tot het voeren van de titel architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect. Inschrijving is voorbehouden aan: - degene die met goed gevolg een hoger onderwijs opleiding heeft afgesloten op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur, die voldoet aan de Nadere regeling1, - degene die niet de vereiste opleiding heeft gevolgd, maar wel het krachtens de Wet op de architectentitel vereiste aantal jaren in de praktijk werkzaam is geweest op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur en die het examen krachtens de Wet op de architectentitel heeft gehaald; - degene die in het bezit is van een getuigschrift, behaald in een andere betrokken staat (lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland), dat krachtens de richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (in het vervolg van deze memorie van toelichting genoemd: de richtlijn) door de ontvangende lidstaat moet worden erkend of dat door de Stichting bureau architectenregister (SBA) overeenkomstig de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is erkend; - degene die in het bezit is van een getuigschrift, behaald in een derde land, dat door de SBA is erkend.
De Wet op de architectentitel voorziet in een titelbescherming voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten. De Wet op de architectentitel biedt geen beroepsbescherming. Dit laatste betekent dat personen die niet in het architectenregister staan ingeschreven, zonder enig wettelijk beletsel werkzaamheden kunnen verrichten op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur. Het is die personen alleen niet toegestaan dat te doen met gebruikmaking van de beroepstitel.
De doelstellingen die ten grondslag liggen aan de Wet op de architectentitel zijn de volgende:
- Het scheppen van waarborgen voor vakbekwame beroepsuitoefening van architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten ter bevordering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving en het landschap.
- Het implementeren van Europese richtlijnen voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten.
- Consumentenbescherming.
De doelstelling 'consumentenbescherming' houdt in dat de opdrachtgever ervan mag uitgaan dat indien hij een geregistreerd ontwerper2 inschakelt deze beschikt over voldoende deskundigheid om de opdracht te realiseren.
1.2. Behoud publiekrechtelijke grondslag
Eind 1998 stelde de toenmalige Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.W. Remkes, de vraag in hoeverre voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Wet op de architectentitel een publiekrechtelijke grondslag noodzakelijk was. Die vraag is meegenomen in het in opdracht van de toenmalige Rijksbouwmeester prof. ir. Wytze Patijn door het Onderzoeksinstituut voor Technische Bestuurskunde (OTB) in Delft uitgevoerde evaluatieonderzoek naar het functioneren van de Wet op de architectentitel en het architectenregister.
In het rapport van het evaluatieonderzoek Architect en Titelwet3 schenkt het OTB uitvoerig aandacht aan het nut en de noodzaak van de publiekrechtelijke grondslag. Het OTB vergelijkt de vier architectendisciplines op het punt van titelbescherming, beroepsbescherming en beëdiging met enkele andere beroepsgroepen in Nederland, zoals advocaten, makelaars, notarissen en grafisch ontwerpers. De wettelijke titelbescherming voor makelaars is in 2001 afgeschaft en vervangen door een certificeringsregeling, waardoor de vakbekwaamheid van de aangesloten makelaars kan worden getoetst door instellingen die onder toezicht staan van de Raad voor Accreditatie4.
Het OTB acht afschaffing van de wettelijke titelbescherming en het introduceren van persoonscertificering, in navolging van de makelaars, niet voor de hand liggend voor de vier architectendisciplines. Het voert daarvoor de volgende argumenten aan:
- het eigen karakter van de vier architectendisciplines, dat wezenlijk verschilt van dat van de makelaardij;
- de lage organisatiegraad in de architectenbranche (30%) ten opzichte van de makelaars (90 %);
- in plaats van één regeling en één register voor de vier architectendisciplines zullen er ten minste vier certificatieregelingen en vier certificerende organisaties nodig zijn;
- bij afschaffing van de Wet op de architectentitel mag iedereen zich architect noemen. Het onvermijdelijke gevolg daarvan is dat de certificeringsregeling beduidend uitgebreider en duurder zal worden dan de huidige inschrijving in het architectenregister. Dat heeft weer tot gevolg dat een beduidend geringer aantal architecten in de vier disciplines aan de certificeringsregeling zal deelnemen dan zich thans laat inschrijven.
Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Wet op de architectentitel is een publiekrechtelijke grondslag onontbeerlijk. Indien de titel niet meer wettelijk beschermd is, wordt de toetreding tot het beroep in andere betrokken staten bemoeilijkt, omdat in die staten het beroep van architect wel is gereglementeerd. Nederlandse ontwerpers zullen daardoor minder snel opdrachten verwerven in die staten. Voorts zal door het ontbreken in Nederland van reglementering van het beroep door middel van titelbescherming een benedenwaartse druk uitgaan op de kwaliteit van personen, afkomstig uit andere betrokken staten die zich hier vestigen of tijdelijk en incidenteel diensten verrichten op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur. Immers krachtens de richtlijn mogen dan ook aan personen uit betrokken staten geen eisen worden gesteld om zich hier architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect te mogen noemen. Beroepsgroepen die in hoge mate de verschijningsvorm van stad en platteland bepalen, boeten aldus aan vakbekwaamheid in. De kwaliteit van de leefomgeving en de duurzaamheid daarvan komen onder druk te staan.
Het kabinet hecht aan een versterking van de kwaliteit van de leefomgeving, zowel in de stad als op het platteland, en aan een duurzame samenleving. Die kwaliteit en duurzaamheid is gediend bij vakbekwame architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten.
Het kabinet kiest er voorts voor om meer verantwoordelijkheid te leggen bij de burger door het particulier opdrachtgeverschap te stimuleren op het gebied van de bouw en verbouw van woningen. Indien de burger niet meer een beroep kan doen op een kwalitatief goede dienstverlening door ontwerpers is hij onvoldoende toegerust voor die verantwoordelijkheid. Afschaffing van de publiekrechtelijke grondslag vergroot bovendien de kans dat de consumentenmarkt op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur een prooi wordt van beunhazerij. Uiteindelijk zal de druk op de rechter of de lokale overheid om misstanden te keren toenemen.
Handhaving van de vakbekwaamheid van architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten draagt bij aan een hoogwaardige dienstverlening op die gebieden en past in het streven naar een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie. Uit dien hoofde zal Nederland wat betreft de eisen die aan architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten worden gesteld op zijn minst in de pas moeten lopen met de andere betrokken staten.
Bovenstaande argumenten pleiten niet alleen voor de handhaving van de publiekrechtelijke grondslag voor de titelbescherming, zij dwingen ook om de vinger aan de pols te houden wat betreft het niveau van vakbekwaamheid en de verwachtingen die men heeft van de vakbekwaamheid van de ingeschrevenen in het architectenregister.
1.3. Het omvormen van de Wet op de architectentitel tot een krachtiger kwaliteitsinstrument
De toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mevrouw S.M. Dekker, heeft in haar brief van 23 maart 2004 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2003-2004, 27 450, nr. 15) haar besluit meegedeeld om de publiekrechtelijke grondslag voor de architectentitel te handhaven. Bij die gelegenheid deelde zij tevens mee de voorstellen in het rapport van het evaluatieonderzoek "Architect en titelwet" (het OTB rapport) om de Wet op de architectentitel te maken tot een krachtiger kwaliteitsinstrument en nauwer te laten aansluiten op de Europese regelgeving te onderschrijven.
In het Actieprogramma Ruimte en Cultuur (2005-2008), dat op 15 april 2005 is aangeboden aan de Tweede Kamer bij brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Kamerstukken II 2004-2005, 30 081, nr. 1), wordt gesproken over het continueren en krachtiger maken van de Wet op de architectentitel als instrument voor kwaliteitsbewaking omdat de evaluatie van de wet in het OTB rapport daartoe aanleiding geeft.
Op basis van de aanbevelingen die waren opgenomen in het OTB rapport is onderzoek gedaan welke aanbevelingen nader kunnen worden uitgewerkt. Dat heeft in september 2005 geleid tot een integraal advies van de Rijksbouwmeester aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer "Naar een herziening van de Wet op de architectentitel".
De voornaamste voorstellen uit dat advies zijn:
- het stellen van de voorwaarde aan de inschrijving in het architectenregister van een tweejarige beroepservaringperiode na het behalen van het in de Wet op de architectentitel vereiste getuigschrift of diploma;
- de introductie van een bij- en nascholingsregeling voor in het architectenregister ingeschreven architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten;
- het vaststellen van gedragsregels voor in het architectenregister ingeschrevenen en een klachtrecht voor de consument bij het niet handelen conform die gedragsregels.
Na consultatie van de betrokken beroepsorganisaties en onderwijsinstellingen, waaruit een grote consensus bleek ten aanzien van het advies, is het advies van de Rijksbouwmeester integraal door de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer overgenomen.
In de brief van 31 oktober 2006 van mijn ambtsvoorganger dr. P. Winsemius aan de Tweede Kamer kondigt hij de voorbereiding aan van een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de architectentitel (uitvoering van de richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255) voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten (in het vervolg van deze memorie van toelichting aangeduid als het implementatiewetsvoorstel) en de voortzetting van de werkzaamheden aan een wetsvoorstel, waarin de voorstellen uit het advies van de Rijksbouwmeester worden verwerkt (Kamerstukken II 2006-2007, 27 450, nr.17). Het implementatiewetsvoorstel is inmiddels tot wet verheven (Stb. 2008, 230) en de daarin opgenomen wijzigingen van de Wet op de architectentitel zijn in werking getreden. Een van die wijzigingen is de bij- en nascholingsregeling voor architecten.
In de nota naar aanleiding van het verslag inzake het implementatiewetsvoorstel (Kamerstukken II 2007-2008, 31 079, nr. 7) is gerefereerd aan het onderhavige wetsvoorstel.
1.4. Strekking van het onderhavige wetsvoorstel
Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de waarborgen voor een vakbekwame beroepsuitoefening van architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten te versterken. Voorgesteld wordt om aan afgestudeerden aan een opleiding, die voldoet aan de Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect, de eis te stellen dat zij twee jaar beroepservaring hebben opgedaan alvorens zij zich kunnen inschrijven in het architectenregister. Voorts wordt voorgesteld om de bij- en nascholingsregeling voor architecten uit te breiden tot stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten.
In de hoofdstukken 2 en 3 van deze memorie van toelichting wordt aandacht geschonken aan achtereenvolgens de beroepservaring en de bij- en nascholing.
In het wetsvoorstel is geen gevolg gegeven aan het gedeelte van het advies van de Rijksbouwmeester dat betrekking heeft op het opnemen in de Wet op de architectentitel van een grondslag voor een gedragscode (gedragsregels) en het klachtrecht. In plaats daarvan wordt voorgesteld in de Wet op de architectentitel een artikel 27aa op te nemen, inhoudende een informatieplicht voor de in het architectenregister ingeschrevenen aan opdrachtgevers of potentiële opdrachtgevers. Die informatieplicht heeft betrekking op de algehele deskundigheid en vakbekwaamheid, met inbegrip van bij- en nascholingsactiviteiten, het al dan niet verzekerd zijn voor beroepsaansprakelijkheid, de rechten en plichten van de opdrachtgever en de borging daarvan en de rechten en plichten van een derde, voor zover die voordien door de persoon die de offerte vraagt voor hetzelfde object of dezelfde opdracht benaderd of ingeschakeld is. In het artikelsgewijze deel van deze memorie van toelichting wordt nader aandacht geschonken aan het voorgestelde artikel 27aa.
Het klachtrecht wordt in het onderhavige wetsvoorstel niet geregeld. In het advies van de Rijksbouwmeester heeft het klachtrecht een functie, die beperkt is tot een klacht over het handelen overeenkomstig de gedragsregels. Klachten over het niet naar behoren uitvoeren van een opdracht blijven in het advies onderworpen aan de civiele rechter of ingeval de standaardvoorwaarden voor de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en adviseur van toepassing zijn aan de raad van arbitrage voor de bouwbedrijven. In de regel zal een klacht over het niet handelen overeenkomstig gedragsregels niet op zichzelf staan, maar vergezeld gaan van een meningsverschil over de uitvoering van de opdracht. In dat geval heeft een opdrachtgever twee gerechtelijke acties te voeren. Dat maakt het voor een opdrachtgever nodeloos complex. Indien de opdrachtgever van mening is dat de opdrachtnemer bij de uitvoering van die opdracht niet heeft gehandeld overeenkomstig de verstrekte informatie ligt het in de rede dat aspect te betrekken bij het geschil over de uitvoering van de opdracht. Om die reden is in het wetsvoorstel geen klachtrecht opgenomen voor gebrekkige of onjuiste informatie.
Het wetsvoorstel bevat voorts het voorstel om de privaatrechtelijke grondslag van het zelfstandig bestuursorgaan SBA om te zetten in een publiekrechtelijke grondslag en het bureau architectenregister onder de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen te brengen. De omzetting is een logisch gevolg van die wet. In hoofdstuk 4 van deze memorie van toelichting wordt daaraan aandacht geschonken.
Tot slot bevat het wetsvoorstel nog de volgende wijzigingen:
- de actualisering van de artikelen 9 tot en met 12 op het gebied van getuigschriften en diploma's die in Nederland zijn behaald;
- de verhoging van het opleidingsniveau voor de interieurarchitecten om zich te kunnen inschrijven in het architectenregister;
- voorschriften omtrent de geoorloofdheid van het gebruik van een van de vier titels in de benaming van een bureau en het gebruik van een persoonsnaam in de naam van het bureau.
Die drie wijzigingen worden toegelicht in het artikelsgewijze deel van deze memorie van toelichting.
Hoofdstuk 2 Beroepservaringperiode
2.1. Aansluiting onderwijs op de beroepspraktijk
De architect, stedenbouwkundige en tuin- en landschapsarchitect hebben grote invloed op de kwaliteit van de gebouwde en landschappelijke omgeving. Een ontwerp wordt immers voor tientallen jaren of nog langer gerealiseerd. Nederland is een dichtbevolkt land waar bouw- en ontwerpopgaven een steeds complexer en grootschaliger karakter krijgen. Een ontwerp zal moeten passen in de omgeving waarin het wordt geplaatst en moeten voldoen aan overheidsmaatregelen en economische en budgettaire randvoorwaarden. Van ontwerpers mag worden verwacht dat zij deze randvoorwaarden kunnen incorporeren in het ontwerp- en planningproces. Het is gewenst en noodzakelijk dat ontwerpers naast een goede beheersing van het ontwerpproces, ook andere relevante fasen van het bouw-, planning- en ontwerpproces in voldoende mate kennen en beheersen. Opdrachtgevers moeten er immers op kunnen vertrouwen dat een in het architectenregister ingeschreven ontwerper beschikt over de voor de uitoefening van het beroep noodzakelijke kennis, inzicht en bekwaamheden, zowel ten aanzien van ontwerp als realisatie.
De opleidingen spelen een cruciale rol bij de voorbereiding van jonge ontwerpers op de beroepspraktijk. De Nederlandse opleidingen hebben toonaangevende ontwerpers afgeleverd. Tegelijkertijd is de aansluiting van het onderwijs, met name van het universitaire onderwijs, op de beroepspraktijk al jaren een punt van discussie. De universitaire opleidingen op het gebied van de architectuur, stedenbouw en tuin- en landschapsarchitectuur verzorgen een "wetenschappelijke ontwerpopleiding"5. In deze opleiding staan ontwerp en onderzoek centraal. Studenten leren projecten op een wetenschappelijke wijze uit te denken en in schets te brengen. De afstudeerrichtingen architectuur, stedenbouw en tuin- en landschapsarchitectuur leiden op tot ingenieur, maar pretenderen daarbij niet dat er sprake is van een volwaardige opleiding tot het beroep van respectievelijk architect, stedenbouwkundige of tuin- en landschapsarchitect. Meestal heeft een net afgestudeerde te weinig kennis en ervaring om een ontwerp- en bouw/realisatieproces integraal te doorlopen. Aanvullend op de opleiding zal daarom additionele kennis, inzicht en vaardigheden en beroepservaring moeten worden opgedaan.
2.2. Vergelijking beroepservaringperiode met andere beroepen
Inschrijving in het architectenregister is op dit moment mogelijk zonder enige vorm van beroepservaring. Daarmee nemen de jonge pas in Nederland afgestudeerde ontwerpers een uitzonderingspositie in ten opzichte van andere vrije beroepen, zoals advocaat of arts. In onderstaande tabel is een aantal opleidingen weergegeven van andere zelfstandige beroepen met een doorlooptijd van de opleiding inclusief de periode van beroepservaring. Zo bestaat de opleiding tot advocaat uit een 4-jarige wetenschappelijke opleiding aan een juridische faculteit, gevolgd door een praktijkstage van 3 jaar in combinatie met een beroepsopleiding. De opleiding tot huisarts bestaat uit een 6-jarige universitaire opleiding tot basisarts, gevolgd door een huisartsenopleiding van 3 jaar.
Van de in figuur 1 opgenomen beroepsgroepen geldt alleen voor de ontwerpers geen beroepservaringtraject. In een beroepservaringtraject wordt de toekomstige beroepsbeoefenaar onder begeleiding van een ervaren beroepsbeoefenaar de specifieke praktijkelementen van het vak aangeleerd om hem voor te bereiden op een volwaardige beroepsuitoefening. Het doorlopen van dit traject gebeurt in zijn algemeenheid in combinatie met een theoretische beroepsopleiding waarin de praktische aspecten van het beroep verder worden uitgediept.
De Nederlandse ontwerpers verschillen in dit opzicht ook van de ontwerpers in de meeste andere lidstaten en in enkele belangrijke derde landen. In de bijlage bij deze memorie van toelichting, getiteld "Beroepservaring in nationaal en internationaal perspectief" is de inhoudelijke invulling van de beroepservaringperiode voor architecten in Engeland, België, Duitsland en de Verenigde Staten en de advocaten in Nederland beschreven.
2.3. Experiment beroepservaring jonge architecten
In 1990 hebben de TU Delft, de TU Eindhoven en het beroepsveld het initiatief genomen totde Praktijkopleiding Architectuur en Stedenbouw om door middel van die opleiding verbetering te brengen in de aansluiting tussen het onderwijs en de beroepspraktijk. Die opleiding is geen succes geworden. In september 2003 heeft de voormalig Rijksbouwmeester prof. ir. Jo Coenen het initiatief genomen tot het Experiment Beroepservaring Jonge Architecten. Het Experiment heeftten doel jonge pas afgestudeerde architecten praktijkervaring te laten opdoen en voor te bereidenop een volwaardige beroepsuitoefening als architect. In het tweejarige programma van het Experiment komen de deelnemende jonge architecten met de beroepspraktijk in aanraking via een mentorsysteem op de architectenbureaus en een begeleidend gemeenschappelijk programma.
Uit de evaluaties blijkt dat deelname aan zo'n tweejarig programma voor wat betreft het opdoen van beroepservaring een wenselijke en noodzakelijke aanvulling is op de reguliere opleidingen, met name de TU-opleiding. Het wetenschappelijke karakter van de TU-opleidingen heeft onder meer tot gevolg dat in deze opleidingen het opdoen van beroepservaring niet als leerdoel is opgenomen6 en dat op sommige voor de ontwerppraktijk relevante gebieden onvoldoende kennis en vaardigheden kan worden opgedaan. Het gaat daarbij om kennis en vaardigheden op het brede gebied van opdrachtverlening, bouwvoorbereiding en bouwuitvoering, inzicht in belangrijke overheidsvoorschriften (het Bouwbesluit 2003, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening), kennis ten aanzien van budgettering, kostenbewaking, selectieprocedures, office- en designmanagement, etc. Daarnaast veranderen de verhoudingen in de bouw voortdurend. Architecten krijgen steeds meer te maken met nieuwe opdrachtsituaties en financieringsconstructies, zoals design en construct, pps, turnkey- en prestatiecontracten. Dit vergt een steeds grotere professionaliteit van architecten.
Het volgen van zo'n tweejarige opleiding biedt ook het voordeel dat het opdoen van beroepservaring aanzienlijk wordt versneld.
2.4. Internationale aspecten
Ook internationaal gezien is het wenselijk dat de opleidingen voor ontwerpers in Nederland de concurrentie aan kunnen met die in de omringende lidstaten. In de internationale vakwereld wordt geadviseerd dat voordat afgestudeerden als bijvoorbeeld architect werkzaam mogen zijn, zij twee jaar 'acceptabele' ervaring hebben opgedaan, waarvan ten minste één jaar na het onderwijs, alvorens zij worden geregistreerd7. Landen zoals België, Duitsland, Engeland en Frankrijk kennen alle een verplichte periode voor architecten, waarin beroepservaring wordt opgedaan. Om de internationale concurrentie te kunnen bijhouden en de kenniseconomie een impuls te geven is het van groot belang dat de opleidingen in Nederland in de pas blijven lopen met die in het buitenland.
In de reeds genoemde bijlage bij deze memorie van toelichting is een beschrijving opgenomen van de inhoudelijke invulling van de beroepservaringperiode voor architectenin België, Duitsland en Engeland. Ook is een beschrijving opgenomen van de beroepservaringperiode in de Verenigde Staten.
Daaruit blijkt dat de beroepservaringperiode in genoemde landen ten minste twee jaar duurt en dat het geen verschil maakt of in een land sprake is van beroepsbescherming (België, Duitsland, Verenigde Staten) of uitsluitend titelbescherming (Engeland).
2.5. Invoering van een periode van twee jaar beroepservaring
Van een in het architectenregister ingeschreven ontwerper mag worden verwacht dat hij, naast een goede beheersing van het ontwerpproces, ook de andere relevante fasen van het realisatie-, planning- en ontwerpproces in voldoende mate kent. Naasteen passende opleiding dient een in het architectenregister ingeschrevene derhalve over voldoende beroepservaring te beschikken. Anders gezegd, hij dient te beschikken over de kennis, het inzicht en de vaardigheden die nodig zijn om de verantwoordelijkheid in het realisatie-, planning- en ontwerpproces aan te kunnen en het proces tot een goed einde te brengen met de andere partners.8
Beroepservaring kan in principe alleen in de beroepspraktijk zelf en onder begeleiding van ervaren, praktiserende ontwerpers worden opgedaan.
De Commissie-Gietema9 heeft in 1995/1996 in opdracht van de SBA getoetst of en in hoeverre de architectuuropleidingen nog voldoen aan de criteria van de Architectenrichtlijn (85/384/EEG) en van de Nadere regeling (die voor het voornaamste deel afkomstig zijn uit de Architectenrichtlijn). Het rapport van de Commissie-Gietema heeft de verschillende criteria uit de Architectenrichtlijn onderverdeeld in drie hoofdcategorieën: discipline, context en professie. Een citaat uit het rapport van de Commissie-Gietema voor wat betreft de categorie professie:
"De professie heeft direct te maken met de praktische beroepsuitoefening en met het functioneren van de architect in het bouwproces. Het betreft hier een zeer veelzijdig en divers geheel aan kennis, vaardigheden en inzicht waarvan weliswaar de principes en achtergronden in een school onderwezen kunnen worden, maar waarvoor de vaardigheden en inzicht voornamelijk in de praktijk zelf geleerd zullen moeten worden. Voor de professie kan het volgende gesteld worden: kennis zal op een elementair niveau aanwezig moeten zijn en in de vorm van ervaringskennis. Vaardigheden hebben hier betrekking op zowel de uitoefening van het beroep als op het functioneren als architect in het bouwproces. Inzicht zal hier het zelfstandig interpreteren en waarderen van kennis en vaardigheden moeten inhouden dat ontstaat door het herhaaldelijk onder begeleiding doorlopen van de verschillende stadia van het bouwproces (opdracht, ontwerp, uitvoering)."
De wenselijkheid en noodzakelijkheid van het opdoen van beroepservaring door afgestudeerde ontwerpers is uitgebreid afgestemd met de beroepsorganisaties, de betrokken onderwijsinstellingen en de SBA. Alle bleken - op basis van het voorstel uit het evaluatierapport "Architect en titelwet van het OTB - voorstander van een beroepservaringperiode van twee jaar.
In de beroepservaringperiode komen onderwerpen aan bod, die noodzakelijk zijn om de ontwerper voor te bereiden op een volwaardige beroepsuitoefening, maar waaraan in de reguliere opleidingen aan de universiteit niet of nauwelijks aandacht wordt geschonken. De invalshoek bij de inrichting van de tweejarige beroepservaringperiode is voor stedenbouwkundigen en tuin- en landschapsarchitecten anders dan bij architecten en interieurarchitecten. Bij de laatste twee disciplines kan tijdens een periode van twee jaar beroepservaring worden opgedaan, die erop gericht is dat de architect en interieurarchitect een project van het begin tot het eind kan doorlopen. Bij stedenbouwkundigen en tuin- en landschapsarchitecten duurt een project meestal zolang dat het doorlopen van een project van het begin tot het eind niet haalbaar is. Het opdoen van beroepservaring is er bij deze beide disciplines daarom op gericht dat de meest essentiële onderdelen van het realisatie-, planning- en ontwerpproces tijdens de tweejarige beroepservaringperiode aan bod komen.
In het wetsvoorstel is rekening gehouden met de mogelijkheid dat onderwijsinstellingen het opdoen van beroepservaring overeenkomstig de regels met betrekking tot de tweejarige beroepservaringperiode faciliteren en inpassen in het onderwijsprogramma. In dat geval kan vrijstelling worden verleend voor (een deel van) de beroepservaringperiode.
2.6. Interieurarchitectuur
In 2009 is inschrijving als interieurarchitect in het register mogelijk op basis van een getuigschrift van een opleiding met afstudeerrichting interieurvormgeving. Die opleiding kan worden aangemerkt als een bacheloropleiding. Het opleidingsniveau voor interieurarchitect is derhalve lager dan het opleidingsniveau voor architect, stedenbouwkundige en tuin- en landschapsarchitect. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om het opleidingsniveau voor interieurarchitect gelijk te schakelen met de masteropleiding voor de drie andere disciplines. Het Platform Interieurarchitectuur, bestaande uit het kunstvakonderwijs, instellingen op het gebied van de interieurarchitectuur en de SBA, hebben in het rapport "Ruimte voor verdieping, Naar een masteropleiding Interieurarchitectuur in Nederland " een uitgewerkt en breed gedragen plan voor de nieuwe opleiding gepresenteerd. Eind februari 2009 hebben enkele onderwijsinstellingen een aanvraag proceduretoets nieuwe opleidingen ingediend bij de Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Indien de toets door de NVAO positief uitvalt, wordt vervolgens de doelmatigheid van de opleiding beoordeeld door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Hoofdstuk 3 Bij- en nascholing
In de Wet op de architectentitel is recentelijk vanwege de implementatie van de richtlijn10 aan architecten de verplichting opgelegd om ten minste zestien uren aan passende bij- en nascholing te besteden. In dit wetsvoorstel wordt die regeling uitgebreid tot stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten. Op die wijze worden de doelstellingen van de Wet op de architectentitel op het gebied van vakbekwaamheid van de in het architectenregister ingeschrevenen en de consumentenbescherming versterkt.
Gezien de snelle technologische en wetenschappelijke vooruitgang is het voor het complexe beroep van architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect van belang dat men levenslang bijleert. Ontwerpers zullen zich qua kennis en vaardigheden voortdurend dienen aan te passen aan de maatschappelijke eisen en ontwikkelingen en wijzigingen in de regelgeving. Het vertrouwen in de beroepsuitoefening, maar ook de geloofwaardigheid en het prestige van het beroep van architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect kan alleen in stand worden gehouden als de ontwikkelingen in het vakgebied voortdurend worden gevolgd. Bij- en nascholing is derhalve zowel van belang voor de individuele beroepsbeoefenaren als voor het beroep. Andere beroepsgroepen kennen al langer regelingen op het gebied van bij- en nascholing (bijvoorbeeld artsen, medisch specialisten, notarissen, registeraccountants en advocaten). In figuur 2 is een overzicht weergegeven van de bij- en nascholingsverplichting van een aantal beroepsgroepen.
De uitbreiding van de bij- en nascholingsverplichting, bedoeld in artikel 27a van de Wet op de architectentitel, tot de stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten is afgestemd met de desbetreffende beroepsorganisaties. Alle drie beroepsorganisaties toonden zich een voorstander.
Hoofdstuk 4. Toepasselijkheid van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen op het bureau architectenregister
De uitvoering van de Wet op de architectentitel waar het het bijhouden van het architectenregister betreft is belegd bij de SBA. Belangrijkste motief bij het vormgeven van het bureau architectenregister als een privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan is geweest het geven van bestuurlijke verantwoordelijkheid aan personen die uit de doelgroep afkomstig zijn. De gewenste onafhankelijkheid van de beheerder van het architectenregister is vooral beargumenteerd vanuit de redenering dat de te verrichten taken bedoeld zijn voor een duidelijk afgebakende doelgroep (de aanbieders en vragers van diensten van ontwerpers). De kosten worden ook in rekening gebracht bij de gebruikers van het architectenregister. Participatie van maatschappelijke organisaties in verband met de aard van de betrokken bestuurstaak was het doorslaggevende argument om de uitvoering van de Wet op de architectentitel op afstand te organiseren. Die participatie is doorslaggevend bij het slagen van de kwaliteitsverbeterende maatregelen op het gebied van bij- en nascholing en beroepservaring. De deelname aan de bij- en nascholing en de beroepservaring hangt in belangrijke mate af van de inzet en participatie van de vier in het architectenregister ingeschreven beroepsgroepen (beroepsorganisaties en ongeorganiseerden). Met name het mentorschap vereist de nodige inzet van de ingeschrevenen in het architectenregister. Om die reden is in het onderhavige wetsvoorstel het stellen van nadere regels op het gebied van beroepservaring belegd bij het bureau architectenregister. De participatie van de beroepsgroepen is voorts van belang bij het opstellen van nadere eisen waaraan een ingeschrevene in het architectenregister moet voldoen indien hij onder een andere titel wenst te worden ingeschreven in het register dan waarvoor hij is opgeleid (het voorgestelde artikel 12a, tweede lid, van de Wet op de architectentitel).
Overeenkomstig het kabinetsstandpunt over het rapport "Een herkenbare staat: investeren in de overheid" wordt de privaatrechtelijke grondslag van het bureau architectenregister vervangen door een publiekrechtelijke grondslag. De per 1 februari 2007 in werking getreden Kaderwet zelfstandige bestuursorganen harmoniseert de positie en sturing van zelfstandige bestuursorganen. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe het bureau architectenregister onder de werking van die Kaderwet te brengen.
De toepasselijkheid van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen brengt ten opzichte van de Wet op de architectentitel de nodige veranderingen mee voor het bureau architectenregister. Die veranderingen komen neer op meer mogelijkheden tot sturing door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Nieuw zijn in dit verband: het onderwerpen van de begroting van het bureau architectenregister aan de goedkeuring van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de bevoegdheden van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om beleidsregels te stellen, besluiten van het bureau architectenregister te vernietigen en in te grijpen bij taakverwaarlozing door het bureau architectenregister. Al die bevoegdheden ontleent de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Het onderhavige wetsvoorstel kent geen uitzondering op de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Het onderhavige wetsvoorstel bevat een beperkt aantal wijzigingsvoorstellen die samenhangen met de publiekrechtelijke grondslag van het bureau architectenregister en de toepasselijkheid van de Kaderwet. De samenstelling van het bestuur wordt niet meer geregeld in de statuten. Het bestuur van negen tot ten hoogste vijftien leden wordt teruggebracht tot een bestuur van ten hoogste drie leden.
Leden van het bestuur worden voor ten hoogste vier jaar benoemd. Zij kunnen na het verstrijken van die termijn, aansluitend eenmaal worden herbenoemd voor dezelfde periode waarvoor zij de eerste keer zijn benoemd.
Ingevolge de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen benoemt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het bestuur. Het ligt in het voornemen om zeker in de eerste acht jaar het bestuur te laten bestaan uit een voorzitter en twee overige leden. Bij die samenstelling wordt één lid benoemd op voordracht van de gezamenlijke beroepsorganisaties en wordt één lid gezocht onder de ongeorganiseerden (in het architectenregister ingeschreven beroepsbeoefenaren die geen lid zijn van een beroepsorganisatie). De voordracht voor een bestuurslid bestaat uit ten hoogste drie personen. Ook bij twee bestuursleden zal één lid worden benoemd op voordracht van de gezamenlijke beroepsorganisaties. De voordracht is overigens niet bindend, de minister kan daarvan afwijken. Dit volgt uit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Door de beperking van het aantal bestuursleden is het niet langer noodzakelijk om in de wet te bepalen dat het bestuur in meerderheid bestaat uit personen die de beroepen van architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect uitoefenen of hebben uitgeoefend.
Het bestuur stelt een bestuursreglement vast. Krachtens de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is dat bestuursreglement onderworpen aan de goedkeuring van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Belangrijk is dat in het bestuursreglement aan de participatie van de maatschappelijke organisaties vorm wordt gegeven en aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop de eigen identiteit van de verschillende disciplines in het voorbereidingstraject van de verschillende door het bestuur op te stellen nadere regels wordt gewaarborgd. Een mogelijkheid daartoe is het instellen van commissies voor elk van de vier disciplines. Wat betreft de samenstelling van die commissies kan in het bestuursreglement ruimte worden geboden aan andere maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld de desbetreffende beroepsorganisatie en de daarvoor in aanmerking komende onderwijsinstellingen).
Tot slot kan een aantal bepalingen in de Wet op de architectentitel vervallen, aangezien de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen daarin voorziet. Om die reden vervallen de bepaling dat de vaststelling van tarieven onderworpen is aan de goedkeuring van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (artikel 7 van de Wet op de architectentitel) en de bepalingen met betrekking tot het jaarverslag en de jaarrekening (artikel 8 van de Wet op de architectentitel). Goedkeuring van tarieven, jaarverslag en jaarrekening worden geregeld in de artikelen 28, 18, 34 en 35 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Hoofdstuk 5 Fasegewijze invoering
De onderdelen van artikel I zullen niet alle tegelijkertijd in werking treden. Indien het wetsvoorstel tot wet wordt verheven kunnen sommige onderdelen vrijwel direct na plaatsing van de wet tot wijziging van de Wet op de architectentitel in werking treden, andere onderdelen treden naar alle waarschijnlijkheid een jaar later in werking. Op die wijze wordt voorkomen dathet bureau architectenregister op te veel fronten aan de slag moet en worden mogelijke invoeringsproblemen voorkomen. Zo snel mogelijk na publicatie van de wijzigingswet van de Wet op de architectentitel in het Staatsblad zullen de onderdelen van artikel I, die betrekking hebben op de volgende voorstellen, in werking treden:
- uitbreiding van de bij- en nascholingsregeling voor architecten tot stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten;
- actualisering van de vereiste getuigschriften in de artikelen 9 tot en met 12 van de Wet op de architectentitel, voor zover die in Nederland worden afgegeven;
- het van toepassing verklaren van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen op het bureau architectenregister;
- aanpassing van de artikelen die betrekking hebben op de titelbescherming.
Zoals in paragraaf 2.6 van deze memorie van toelichting reeds is opgemerkt hebben enkele onderwijsinstellingen inmiddels een aanvraag proceduretoets nieuwe opleidingen ingediend bij de NVAO. Indien de toets door de NVAO positief uitvalt en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap positief oordeelt over de doelmatigheid van de opleiding, zal naar verwachting bij de aanvang van het nieuwe cursusjaar in september 2010 (of anders in september 2011) in Nederland bij verschillende instellingen een masteropleiding interieurarchitectuur kunnen worden gevolgd. Dat betekent dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de eerste onderdelen van artikel I ook het voor de inschrijving in het architectenregister vereiste opleidingsniveau van interieurarchitecten gelijkgeschakeld zal zijn met het voor die inschrijving vereiste opleidingsniveau van architecten, stedenbouwkundigen en tuin- en landschapsarchitecten.
Een jaar later kunnen de onderdelen van artikel I in werking treden, die betrekking hebben op de volgende voorstellen:
- de tweejarige beroepservaringperiode voor architecten, stedenbouwkundigen en tuin- en landschapsarchitecten;
- de verordenende bevoegdheid met betrekking tot de examens voor personen die niet het voor inschrijving vereiste getuigschrift of diploma hebben, dat in Nederland kon worden behaald, maar ten minste zeven jaar praktijkervaring hebben opgedaan op hun vakgebied.
Als laatste treedt in werking de tweejarige beroepservaringperiode voor interieurarchitecten.
De SBA zal belast worden met de voorbereiding van de nodige werkzaamheden die noodzakelijk zijn om een soepele en probleemloze inwerkingtreding van de wet te waarborgen. Dat geldt zowel voor die onderdelen die als eerste in werking treden als voor de onderdelen die een jaar later in werking treden. Het ligt in het voornemen om het nieuw te benoemen bestuur van het bureau architectenregister, nog voordat het in functie treedt, in de periode tussen de bekendmaking van de wet tot wijziging van de Wet op de architectentitel - indien het onderhavige wetsvoorstel tot wet wordt verheven - en het besluit tot inwerkingtreding van die wet enige tijd te laten meelopen met het bestuur van de SBA om op die wijze te bewerkstelligen dat het nieuwe bestuur een medebepalende rol heeft bij de in voorbereiding te nemen besluiten.
Hoofdstuk 6 Financiering
De activiteiten die in dit wetsvoorstel additioneel worden geregeld ten opzichte van de huidige Wet op de architectentitel komen voort uit het kabinetsstreven om van de wet een krachtiger kwaliteitsinstrument te maken. Kort gezegd zijn dit de invoering van twee jaar beroepservaring en de invoering van bij- en nascholing voor de stedenbouwkundigen, de tuin- en landschapsarchitecten en de interieurarchitecten.
Voor wat betreft de aanloopkosten van de maatregelen gericht op een krachtiger kwaliteitsinstrument kan op financiële ondersteuning worden gerekend van de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Deze financiële ondersteuning geldt gedurende de periode van omvorming, aangezien de aanloopkosten eenmalig en ongebruikelijk zijn, en die kosten redelijkerwijs niet aan de ingeschrevenen in het register kunnen worden toegerekend. De financiële bijdrage in het kader van de omvorming van de wet tot een krachtiger kwaliteitsinstrument is exclusief de financiering die op grond van de recent in werking getreden wet tot wijziging van de Wet op de architectentitel reeds was voorzien.
Zijn eenmaal de nadere regels voor de eerste keer door het bureau architectenregister vastgesteld, dan zijn de kosten die daarna verbonden zijn aan het onderhoud van regelgeving betrekkelijk gering. Ook die kosten blijven voor rekening van de onderscheiden ministeries.
De kosten die te maken hebben met de bijhouding van het architectenregister zijn sedert de totstandkoming van de Wet op de architectentitel gedragen door de ingeschrevenen. Dat blijft ook het uitgangspunt in het onderhavige wetsvoorstel. Voor zover het bureau architectenregister taken verricht die voorvloeien uit de richtlijn erkenning van beroepskwalificaties komen die ten laste van de begroting van de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De kosten verbonden aan de verwerking van verzoeken om als niet actieve beroepsbeoefenaar te worden ingeschreven in het register - welke kwalificatie betrokkene ontslaat van de verplichting tot bij- en nascholing - zijn aan te merken als kosten die te maken hebben met bijhouding van het architectenregister. Dat geldt ook voor de beoordeling of een persoon die is ingeschreven in het architectenregister krachtens de vastgestelde nadere eisen in aanmerking komt om onder een andere titel te worden ingeschreven in het architectenregister. Ook de kosten van uitvoering van de regels inzake de beroepservaring zijn in beginsel kosten die verbonden zijn aan de inschrijving in het architectenregister.
Het vorenstaande neemt niet weg dat het bureau architectenregister uiterst zorgvuldig dient om te gaan met een verhoging van de tarieven die verband houden met de inschrijving en de jaarlijkse continuering van die inschrijving. Een stijging van de tarieven die tot gevolg heeft dat daardoor het aantal ingeschrevenen in het architectenregister daalt of die de jaarlijkse aanwas van nieuw ingeschrevenen gedurende jaren doet dalen is een ongewenste ontwikkeling, die afbreuk doet aan de doelstellingen van de Wet op de architectentitel. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft als politiek verantwoordelijke minister de taak er voor te zorgen dat de doelstellingen van die wet niet door ongewenste nevengevolgen gevaar lopen. Daarnaast heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ook een verantwoordelijkheid voor de financiële armslag van het bureau architectenregister. Gelet op die verantwoordelijkheden zal in het kader van het bestuurlijk overleg en bij de goedkeuring van de begroting nauwgezet de vinger aan de pols worden gehouden wat de mogelijkheden zijn voor financiering uit de tarieven, examengelden, kosten die van afgestudeerden redelijkerwijs mogen worden gevraagd in het kader van de tweejarige beroepservaring en welke bijdrage uit de algemene middelen verantwoord is, gelet op de doelstellingen van de Wet op de architectentitel.
Hoofdstuk 7 Bedrijfseffecten en administratieve lasten
In het onderhavige wetsvoorstel wordt de verplichting tot bij- en nascholing ook opgelegd aan stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten. De Wet op de architectentitel stelt het minimum aantal uren dat een architect jaarlijks aan bij- en nascholing dient te besteden op zestien. Dat aantal uren zal ook gaan gelden voor de bij- en nascholing van de drie overige disciplines. Indien die uren worden verdeeld over bijvoorbeeld vier cursussen van elk een dagdeel, ten bedrage van circa € 200,- per dagdeel brengt de bij- en nascholingsregeling voor een ingeschreven stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect met inbegrip van de reiskosten (€ 100,-) een lastenverzwaring mee van circa € 900,- op jaarbasis. In totaal bedragen de nalevingskosten voor de circa 3.000 in het architectenregister ingeschreven stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten, op wie de voorgestelde bij- en nascholingsregeling van toepassing is, circa € 2.700.000,-. Indien de helft van die uren aan bij- en nascholing wordt aangemerkt als werkuren en wordt uitgegaan van een bruto-uurloon van € 65,- worden die nalevingskosten verhoogd met € 1.560.000,- en bedragen zij totaal €4.260.000,-. Overigens is dat kostenplaatje gebaseerd op een gebruikelijk patroon, waarbij geen sprake is van extreem dure bij- en nascholingsactiviteiten en ook is verdisconteerd dat bij de bij- en nascholingsactiviteiten ook een lezing of cursus wordt gevolgd die door een beroepsorganisatie wordt georganiseerd en cursussen deels vallen in de late namiddag en avond. Er zijn geen gegevens beschikbaar in hoeverre de 3.000 in het architectenregister ingeschreven stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten aan bij- en nascholing doen. Het valt niet aan te nemen dat geen van die 3.000 ingeschrevenen op jaarbasis geen enkel uur aan bij- en nascholing besteedt.
De drie beroepsorganisaties staan positief tegenover de bij- en nascholing. Dit geldt ook voor de nieuwe informatieverplichting, die verband houdt met de bij- en nascholing. Die verplichting heeft betrekking op de mogelijkheid van een in het architectenregister ingeschreven persoon om een verzoek te doen hem in het register aan te merken als niet langer beroepsmatig actief. In dat geval is de verplichting van bij- en nascholing niet op hem van toepassing (artikel 27a, tweede lid, van de Wet op de architectentitel).
Overigens worden in het wetsvoorstel geen gevolgen verbonden aan de beoordeling van een verzoek om inschrijving in het architectenregister door een onderdaan uit een andere lidstaat, die zich in die lidstaat niet gehouden heeft aan de verplichte bij- en nascholing. Het nakomen van die verplichting wordt met het oog op de inschrijving niet getoetst. Is die onderdaan eenmaal ingeschreven, dan geldt voor hem overigens wel de bij- en nascholingsverplichting die voor een ieder geldt die is ingeschreven in het architectenregister. Uitgezonderd van bij- en nascholing zijn personen die zich in het architectenregister hebben ingeschreven als dienstverrichter.
Behalve de geringe administratieve lasten verband houdend met eventuele verzoeken om als niet actieve beroepsbeoefenaar in het architectenregister te worden vermeld leidt het wetsvoorstel tot een lastenverzwaring in verband met de tweejarige beroepservaringperiode. Als uitgangspunt voor de administratieve lasten kan vooralsnog worden uitgegaan van de lasten die tijdens het Experiment zijn geconstateerd. Deze lasten voor het Experiment belopen een bedrag van circa €7.000,- ( 2 maal € 3.000,- voor deelname aan de bijeenkomsten en 2 maal verlies van 10 productieve uren11 ten bedrage van € 50,-). Er wordt na de invoering van de regeling inzake beroepservaring rekening gehouden met een jaarlijkse instroom van circa 350 ingeschrevenen in de vier disciplines. Vanaf het tweede jaar van inwerkingtreding van de beroepservaringregeling voor de vier disciplines bedragen de kosten op jaarbasis € 2.450.000,-. In werkelijkheid wordt dat kostenniveau pas na een aantal jaren na inwerkingtreding van de wijziging van de Wet op de architectentitel bereikt omdat de beroepsregeling per discipline wordt ingevoerd.
Hoofdstuk 8 Overleg met het beroepsveld
Het beroepsveld is nauw betrokken geweest bij de voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel. In april 2005 organiseerde de toenmalige Rijksbouwmeester Mels Crouwel twee rondetafelgesprekken om te peilen hoe in het beroepsveld gedacht werd over de wenselijkheid om van de Wet op de architectentitel een krachtiger kwaliteitsinstrument te maken. Conclusie was dat er brede steun was voor een kwaliteitsversterking van de wet. Mede op basis van deze uitkomsten is door de Rijksbouwmeester het in paragraaf 1.3 van deze memorie van toelichting genoemde advies opgesteld aan de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mevr. S.M. Dekker. Zoals in die paragraaf reeds is gememoreerd stemde minister Dekker in met die voorstellen. Vervolgens is door de Rijksbouwmeester in het voorjaar van 2006 een klankbordgroep ingesteld die de wijziging van de Wet op de architectentitel begeleid heeft. Aan de klankbordgroep namen deel vertegenwoordigers van de vier beroepsorganisaties, de beide Technische Universiteiten, de Universiteit Wageningen, het Landelijke Overleg Bouwkunstopleidingen (LOBO), het Overleg Beeldende Kunsten (OBK), de HBO-raad en de ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Op basis van de bevindingen van de klankbordgroep is het wetsvoorstel aangepast en is een taskforce opgericht die nauw betrokken is bij de inrichting van het wetsvoorstel. De laatste bijeenkomst van de taskforce was 12 september 2007. In deze bijeenkomst is het wetsvoorstel zoveel mogelijk ingericht overeenkomstig de wensen van de diverse in de taskforce betrokken partijen. Vervolgens is dit wetsvoorstel voorgelegd aan de klankbordgroep. De Klankbordgroep stemde in november 2007 in met het wetsvoorstel, dat ter advisering aan de Raad van State is voorgelegd.
- Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedebouwkundige, tuin- en landdschapsarchitect en interieurarchitect van 14 april 2006.
- Het begrip 'ontwerper' wordt hier gebruikt als er wordt gesproken over de beroepsbeoefenaren van alle vier de disciplines (architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten).
- Uitgeverij 010, Rotterdam 2001
- De Raad voor accreditatie is de enige Nederlandse accreditatieorganisatie op publiek terrein.
- Er is op dit moment geen universitaire opleiding op het gebied van interieurarchitectuur. In het kunstonderwijs bieden de Academies van Beeldende Kunsten een vierjarige bacheloropleiding op het gebied van de interieurarchitectuur aan waarvan het diploma toegang biedt tot het architectenregister mits de opleiding voldoet aan de Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect.
- Zo kennen de TU Delft en de TU Eindhoven op dit moment geen verplichte praktijkstage.
- Zie UIA Accord on Recommended International Standards of Professionalism in Architectural Pactice, 1999; Architects Council of Europe, proposal for a framework for professional experience.
- Opgemerkt zij dat "beroepservaring" een stap verder gaat dan "praktijkervaring".Praktijkervaring slaat in engere zin op de goede uitoefening van de verworven ontwerpkennis en kunde. Praktijkervaring is nodig om in de beroepspraktijk te kunnen functioneren, zonder dat daarbij de verantwoordelijkheden van een ontwerper uitgeoefend hoeven te worden. Een voorbeeld van het opdoen van praktijkervaring is een stage op een bureau, d.w.z het uitoefenen van het vak zonder de daarbij passende verantwoordelijkheden van een ontwerper. Op dit moment kennen universitaire ontwerpers opleidingen geen verplichte praktijkstage.
- Zie Rapportage Toetsingscommissie Architectuuropleidingen, mei 1996.
- Stb. 2008, 230
- 10 bijeenkomsten per jaar voor twee jaar, de bijeenkomsten worden voornamelijk in eigen tijd gedaan.
