II Artikelsgewijs
Artikel I (Wijzigingen van de Wet op de architectentitel)
Onderdeel A (artikel 1)
In de artikelen 2, eerste lid, en 23, tweede lid, van de Wet op de architectentitel worden de begrippen register en beroepsorganisatie omschreven. In het wetsvoorstel zijn die begrippen opgenomen in artikel 1 van de Wet op de architectentitel. De inhoud van beide begripsomschrijvingen blijft ongewijzigd. Voorts is in het voorgestelde artikel 1 het begrip "ongeorganiseerde" opgenomen om een ingeschrevene in het architectenregister aan te duiden, die geen lid is van een beroepsorganisatie. Het opnemen van dat begrip hangt samen met de in het voorgestelde artikel 4 van de Wet op de architectentitel tot uitdrukking gebrachte noodzaak om bij de voorbereiding van bijvoorbeeld de nadere invulling van de beroepservaring ook ongeorganiseerden nauw te betrekken. Het is wenselijk dat ook zij hun steentje bijdragen aan het mentorschap van ingeschrevenen in het architectenregister tijdens de beroepservaringperiode voor pas afgestudeerden op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur.
Onderdeel B (artikel 2)
De vervanging van artikel 2 van de Wet op de architectentitel door een nieuw artikel is deels het gevolg van de omschrijving van het begrip register in het voorgestelde artikel 1 van de Wet op de architectentitel. In het nieuwe artikel 2 van de Wet op de architectentitel zijn het eerste en tweede lid samengevoegd.
Recentelijk bevat de Wet op de architectentitel in de artikelen 27a en 27b enige bepalingen die van invloed zijn op de inrichting van het architectenregister. Artikel 27a van de Wet op de architectentitel noopt tot het maken van een onderscheid in het register tussen actieve en niet-actieve architecten. Artikel 27b van de Wet op de architectentitel dwingt tot het maken van een onderscheid in het register tussen ingeschrevenen die gevestigd zijn in Nederland en ingeschrevenen die in een andere betrokken staat gevestigd zijn en in Nederland tijdelijk en incidenteel diensten verrichten op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur.
Daarnaast kan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op grond van artikel 2, derde lid, van de Wet op de architectentitel, in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorschriften geven omtrent de inrichting van het register. Tot dusverre is van die bevoegdheid geen gebruik gemaakt.
Om vorenstaande redenen wordt voorgesteld artikel 2, derde lid, van de Wet op de architectentitel te doen vervallen.
Onderdeel C (artikel 2a)
Artikel 3, eerste lid, van de Wet op de architectentitel bevat het voorschrift dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een Stichting bureau architectenregister opricht. Dat lid vervalt in het voorgestelde artikel 3 van de Wet op de architectentitel. In plaats daarvan wordt in het voorgestelde artikel 2a van de Wet op de architectentitel het bureau architectenregister bij wet ingesteld. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt van toepassing verklaard op het bureau architectenregister.
Onderdeel D (artikel 3)
In onderdeel D wordt voorgesteld om het voorschrift in artikel 3, tweede lid, van de Wet op de architectentitel, inhoudende dat het bureau architectenregister in de gevraagde administratieve bijstand voorziet bij de uitvoering van de regels omtrent het jaarlijkse examen, bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet op de architectentitel, te doen vervallen. Dat voorstel hangt samen met het voorgestelde artikel 12b van de Wet op de architectentitel in artikel I, onderdeel L, van het wetsvoorstel.
Onderdeel E (artikel 4)
Het voorgestelde artikel 4 van de Wet op de architectentitel bevat enkele procedurevoorschriften diehet bureau architectenregister in acht dient te nemen bij de voorbereiding van de door hem vast te stellen regels. Het bureau architectenregister dient daarbij de vier beroepsorganisaties en de ongeorganiseerdente betrekken. Daarnaast dient het bureau architectenregister voor bepaalde regels de onderwijsinstellingen te betrekken, die zorg dragen voor de door de Wet op de architectentitel vereiste opleiding voor ontwerper. Het gaat dan om regels betreffende het jaarlijkse examen voor personen die ten minste zeven jaar werkzaam zijn op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur en die niet in het bezit zijn van het voor de inschrijving in het register benodigde getuigschrift en om regels betreffende de inrichting van de beroepservaringperiode.
De regels die door het bureau architectenregister worden vastgesteld behoeven de goedkeuring van de minister die verantwoordelijk is voor de desbetreffende beroepsgroep.
In artikel 27a, vierde lid, van de Wet op de architectentitel zijn de door de SBA vast te stellen beleidsregels met betrekking tot passende bij- en nascholing voor architecten - indien de SBA daartoe besluit - onderworpen aan de goedkeuring van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Dat procedurevoorschrift, maar dan gewijzigd in de goedkeuring van de minister die verantwoordelijk is voor de desbetreffende beroepsgroep, is in het onderhavige wetsvoorstel verplaatst naar het voorgestelde artikel 4, vierde lid. In dat vierde lid is eveneens het voorschrift opgenomen dat het bureau architectenregister, indien het besluit beleidsregels met betrekking tot passende bij- en nascholing voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten of interieurarchitecten vast te stellen, bij de voorbereiding daarvan de beroepsorganisatie betrekt van de ontwerpers op wie die beleidsregels van toepassing zijn, alsmede de ongeorganiseerden onder hen.
Onderdeel E (artikel 5)
Het voorgestelde artikel 5 van de Wet op de architectentitel regelt de samenstelling van het bestuur. In hoofdstuk 4 van deze memorie van toelichting is dat artikel reeds toegelicht.
Onderdeel E (artikel 7)
In artikel 7 van de Wet op de architectentitel is de bekostiging van de SBA slechts gedeeltelijk geregeld, namelijk voor zover die bekostiging plaatsvindt door middel van tarieven voor de in dat artikel genoemde diensten door de SBA, zoals het inschrijfgeld ten behoeve van de inschrijving in het register, de jaarlijkse bijdrage ten behoeve van de instandhouding van die inschrijving en het examengeld. De uitvoering door de SBA van de niet uit de tarieven gefinancierde wettelijke taken wordt bekostigd door de ministeries die verantwoordelijk zijn voor de vier beroepsgroepen die zijn ingeschreven in het architectenregister. Het voorgestelde artikel 7 van de Wet op de architectentitel heeft betrekking op de totale bekostiging van het bureau architectenregister.
Zoals in hoofdstuk 6 van deze memorie van toelichting reeds is opgemerkt, worden de kosten die te maken hebben met de bijhouding van het architectenregister vanouds gedragen door degenen die zich wensen in te schrijven in het architectenregister en door de ingeschrevenen in het register. Zij betalen een vergoeding voor de daarmee samenhangende diensten. Het totaal van die inkomsten dient toereikend te zijn voor de bekostiging van die taken van het bureau architectenregister. Dat uitgangspunt is verwoord in het voorgestelde eerste lid van artikel 7 van de Wet op de architectentitel.
In het tweede en derde lid van het voorgestelde artikel 7 van de Wet op de architectentitel worden de taken genoemd die uit de algemene middelen worden bekostigd. Tot die taken behoren in de eerste plaats de taken die in de Wet op de architectentitel zijn opgenomen ter implementatie van de richtlijn (de taken, genoemd in het voorgestelde artikel 3, tweede lid, onderdelen a en b, derde en vierde lid, van de Wet op de architectentitel). De drie ministers die verantwoordelijk zijn voor de vier groepen beroepsbeoefenaren die in het architectenregister staan ingeschreven nemen de bekostiging van die taken voor hun verantwoording. De verdeelsleutel is naar rato van het aantal ingeschrevenen per groep.
Daarnaast worden, zoals reeds opgemerkt in hoofdstuk 6 van deze memorie van toelichting, de kosten van de kwaliteitsbevorderende maatregelen uit de algemene middelen bekostigd. Die maatregelen hebben betrekking op de vaststelling van de nadere eisen, waaraan een in het register ingeschreven persoon moet voldoen indien hij zich tevens onder een andere titel wenst in te schrijven (het voorgestelde artikel 12a, tweede lid, van de Wet op de architectentitel), op de vaststelling van regels met betrekking tot het examen voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten die zich in de praktijk geschoold hebben (het voorgestelde artikel 12b, derde lid, van de Wet op de architectentitel), op de vaststelling van regels met betrekking tot de inrichting van de beroepservaringperiode (het voorgestelde artikel 12e, tweede lid, van de Wet op de architectentitel) en van kwalitatieve beleidsregels ter zake van passende bij- en nascholing (het voorgestelde artikel 27a, derde lid,van de Wet op de architectentitel). Ook hier neemt de minister die verantwoordelijk is voor de desbetreffende beroepsgroep de bekostiging voor zijn verantwoording. Verreweg het grootste deel van die kosten zijn de zogenaamde aanloopkosten (de kosten van de vaststelling). Zijn de eisen en regels eenmaal vastgesteld, dan zijn de kosten ten gevolge van incidentele aanpassingen betrekkelijk gering.
Tot slot wordt de periodieke informatieverstrekking aan het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter uitvoering van artikel 57 van de richtlijn aangewezen centrale contactpunt bekostigd door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Onderdeel E (artikel 8)
De tarifering van de vergoedingen voor diensten die samenhangen met de bijhouding van het architectenregister is geregeld in het voorgestelde artikel 8 van de Wet op de architectentitel. De diensten zijn limitatief opgesomd in dat artikel. Ten opzichte van artikel 7 van de Wet op de architectentitel is de tarifering van de vergoeding voor de behandeling van de aanvraag om erkenning van bepaalde opleidingstitels of getuigschriften nieuw. Op die wijze kan een differentiatie worden aangebracht tussen een verzoek om inschrijving in het architectenregister dat gelet op het soort getuigschrift nauwelijks tijd kost en een verzoek dat in combinatie met de erkenning van een bepaalde opleidingstitel of getuigschrift aanzienlijk meer tijd aan onderzoek vraagt. Nieuw in artikel 8 is voorts de tarifering van de vergoeding voor de behandeling van verzoeken om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van het doorlopen van een tweejarige beroepservaringperiode. Gelet op het feit dat het doorlopen van de tweejarige beroepservaringperiode voor rekening komt van de pas afgestudeerde, ligt het in de rede de kosten van de behandeling van een verzoek om vrijstelling van het doorlopen van die periode in rekening te brengen van de verzoeker.
In de huidige praktijk wordt voor het verstrekken van informatie omtrent de inschrijving van een persoon in het architectenregister door de SBA geen vergoeding in rekening gebracht, ofschoon dat volgens artikel 22, eerste lid, van de Wet op de architectentitel wel mogelijk is. Gelet op het belang dat consumenten het register laagdrempelig kunnen raadplegen, is dat raadplegen gratis. In het voorgestelde artikel 8 van de Wet op de architectentitel vervalt om die redenen de mogelijkheid om een vergoeding te vragen aan een persoon die informatie wenst omtrent de inschrijving van een door hem genoemde persoon in het register.
In het voorgestelde artikel 8 worden de uitvoeringskosten die voor het bureau verbonden zijn aan de behandeling van een verzoek om te worden aangemerkt als een niet actieve beroepsbeoefenaar bekostigd uit instandhoudingkosten van de inschrijving.
In het voorgestelde artikel 8 van de Wet op de architectentitel wordt niet langer bepaald dat de vaststelling van de tarieven de goedkeuring behoeft van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.Die goedkeuring is geregeld in artikel 17 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Onderdelen H, I, J en K (artikelen 9 tot en met 12)
De artikelen 9, 10, 11 en 12 van de Wet op de architectentitel geven een limitatieve opsomming van getuigschriften, certificaten of andere titels van opleidingen op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur die vereist zijn om te kunnen worden ingeschreven in het register. Onder die opsomming valt ook het getuigschrift van het examen dat jaarlijks kan worden afgelegd door personen die ten minste zeven jaar werkzaam zijn op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur, maar niet het vereiste diploma hebben om te kunnen worden ingeschreven in het architectenregister. Voorts wordt in die opsomming ook de mogelijkheid genoemd dat personen in het architectenregister kunnen worden ingeschreven die ten genoegen van de verantwoordelijke minister hebben aangetoond over een uitzonderlijke bekwaamheid te beschikken op het gebied waarop zij werkzaam zijn.
In het wetsvoorstel zijn de twee laatstgenoemde inschrijvingsgronden niet langer opgenomen in de artikelen 9, 10, 11, en 12 van de Wet op de architectentitel. De mogelijkheid om op grond van uitzonderlijke bekwaamheid op het betreffende vakgebied te kunnen worden ingeschreven is, zij het anders verwoord, vervat in het voorgestelde artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de architectentitel. De mogelijkheid om zich in te schrijven in het architectenregister na geslaagd te zijn voor het examen, dat jaarlijks wordt opengesteld voor personen die zich in de praktijk hebben geschoold op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur wordt geregeld in het voorgestelde artikel 12b van de Wet op de architectentitel.
In het voorgestelde eerste lid van de artikelen 9, 10, 11 en 12 van de Wet op de architectentitel zijn niet langer getuigschriften van opleidingen genoemd, die op het tijdstip van indiening van het wetsvoorstel niet meer bestaan.
Door middel van een nieuwe overgangsbepaling (artikel29, eerste lid, van de Wet op de architectentitel) wordt veilig gesteld dat personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van een niet meer bestaande opleiding, dat voordien wel recht gaf op inschrijving in het register (in het vervolg van deze memorie van toelichting genoemd: oud getuigschrift), zich op grond van dat getuigschrift kunnen blijven inschrijven in het register. Tot die personen kunnen behoren personen die zich voor het eerst in het architectenregister wensen in te schrijven, maar ook personen die op grond van een oud getuigschrift in het register zijn ingeschreven, maar zich hebben laten uitschrijven.
Als gevolg van die wijzigingen beperken de artikelen 9, 10, 11 en 12 van de Wet op de architectentitel zich wat betreft de opleidingen in Nederland tot de getuigschriften van de masteropleidingen op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur aan universiteiten of hogescholen die zijn genoemd in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Door het voorgestelde artikel 12 van de Wet op de architectentitel wordt voor inschrijving in het architectenregister als interieurarchitect geëist dat de aanvrager in het bezit is van het diploma van een masteropleiding op het gebied van de interieurarchitectuur. In het voorgestelde artikel 29, derde lid, van de Wet op de architectentitel wordt rekening gehouden met het feit dat op het tijdstip waarop de wijziging van artikel 12 van de Wet op de architectentitel in werking treedt studenten nog een opleiding volgen voor een getuigschrift dat voor dat tijdstip recht gaf op inschrijving als interieurarchitect in het architectenregister.
Ter wille van de flexibiliteit is in de artikelen 9, 10, 11 en 12, eerste lid, van de Wet op de architectentitel in onderdeel c, de mogelijkheid gehandhaafd dat de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap andere opleidingen aanwijzen, die qua niveau vergelijkbaar zijn aan de masteropleidingen aan de genoemde universiteiten en hogescholen.
In het tweede lid van de artikelen 9 tot en met 12 van de Wet op de architectentitel hebben de betrokken ministers de bevoegdheid om nadere regels te geven over de inrichting, die aan de opleiding moet zijn gegeven, wil de afgestudeerde van die opleidingen zich kunnen inschrijven in het architectenregister.
In 1988 werd het nodig geacht tot de vaststelling van die nadere regels over te gaan, omdat de in de artikelen 9 tot en met 12 van de Wet op de architectentitel genoemde opleidingen en studierichtingen meerdere afstudeerrichtingen, differentiaties of afdelingen kennen, waarvan sommige duidelijk beogen op te leiden voor andere beroepen dan die waarop de Wet op de architectentitel betrekking heeft. In die nadere regels zijn de afstudeerrichtingen, differentiaties of afdelingen aangegeven van de in de artikelen 9 tot en met 12 van de Wet op de architectentitel genoemde opleidingen, die zonder meer recht geven op inschrijving in het architectenregister. Daarnaast wordt in de nadere regels telkens voor de in de artikelen 9 tot en met 12 van die wet genoemde opleidingen en studierichtingen een globale omschrijving gegeven van de "begintermen", teneinde de mogelijkheid te scheppen dat ook afgestudeerden die een andere richting hebben gevolgd voor inschrijving in het architectenregister in aanmerking komen indien zij door de samenstelling van hun studiepakket geacht kunnen worden deskundig te zijn. Mede in verband met de bachelor-masterstructuur is in 2006 een nieuwe nadere regeling vastgesteld. Gelet op het feit dat het niet doenlijk is om op het niveau van de wet die inhoudelijke waarborgen te geven dat inschrijving in het register blijft voorbehouden aan specifiek deskundigen, is in het onderhavige wetsvoorstel de bevoegdheid tot het stellen van die nadere regels in het derde lid van de artikelen 9 tot en met 12 vervangen door een verplichting.
De periodieke toetsing van de begintermen van de nadere regeling aan de eindtermen van het onderwijs blijft een bevoegdheid van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het ligt voor de hand dat die ministers het bureau architectenregister hiervoor inschakelen.
De bevoegdheid van die ministers om op basis van de Wet op de architectentitel de begintermen van de Nadere Regeling te toetsen aan de eindtermen van het onderwijs staat naast de toetsing die periodiek plaatsvindt op basis van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW). Daarbij gaat het om de externe beoordeling van het hoger onderwijs, die op aanvraag van de onderwijsinstelling in opdracht van de NVAO door een visiterende en beoordelende instantie met behulp van onafhankelijke deskundigen wordt uitgevoerd. Die instantie brengt vervolgens een visitatierapport uit dat door de onderwijsinstelling in het kader van een aanvraag om accreditatie aan de NVAO wordt overgelegd. De NVAO neemt vervolgens op grond van deze externe beoordeling het accreditatiebesluit (de accreditatie is het kwaliteitskeurmerk dat aangeeft dat aan de gestelde eisen, neergelegd in het Accreditatiekader van de NVAO is voldaan).
Voorkomen dient te worden dat de onderwijsinstellingen geconfronteerd worden met op elkaar volgende toetsen, die onderling niet zijn afgestemd. Dit betekent dat de onderwijsinstellingen zich in het kader van hun aanvraag om accreditatie rekenschap hebben te geven van de eisen van de Nadere regeling.Voorts betekent dit dat bij de start van een accreditatieprocedure afstemming dient plaats te vinden tussen de onderwijsinstellingen, de visiterende en beoordelende instanties en de drie ministeries die verantwoordelijk zijn voor de Nadere regeling. De afstemming dient met name betrekking te hebben op de domeinspecifieke eisen (facet 1.1. van onderwerp 1 (doelstellingen) van het Accreditatiekader), die vanuit de Nadere regeling gesteld worden. Eenzelfde afstemming dient in voorkomende gevallen ook plaats te vinden met het bureau architectenregister indien er sprake is van een vrijstelling van de beroepservaringperiode krachtens het voorgestelde artikel 12d, derde lid, van de Wet op de architectentitel.
In de voorgestelde artikelen 9, eerste lid, onderdeel h, en 10 tot en met 12, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de architectentitel is in overeenstemming met de richtlijn tot uitdrukking gebracht dat uitsluitend een persoon die aangemerkt kan worden als een migrerend beroepsbeoefenaar in aanmerking komt voor het doen van een verzoek om te worden ingeschreven in het register op grond van een in een andere betrokken staat afgegeven opleidingstitel. In het voorgestelde artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de architectentitel wordt overeenkomstig artikel 10, aanhef, van de richtlijn de extra eis gesteld dat de verzoeker een bijzondere en uitzonderlijke reden moet hebben om niet te voldoen aan de minimumopleidingseisen van artikel 46, eerste lid, van de richtlijn.
Het is ongewenst om personen die op grond van een in een derde land behaald getuigschrift een verzoek doen tot inschrijving in het register dezelfde mogelijkheden te bieden als migrerende beroepsbeoefenaren die op grond van een in een andere betrokken staat behaald getuigschrift een verzoek tot inschrijving doen. Om die reden is in de voorgestelde artikelen 9, eerste lid, onderdeel j, en 10 tot en met 12, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de architectentitel niet langer opgenomen dat de artikelen 5 tot en met 13 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties overeenkomstig worden toegepast.
Onderdeel L (artikelen 12a, 12b en 12c)
De tekst van het voorgestelde artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de architectentitel is in overeenstemming gebracht met de formulering van artikel 48, tweede lid, van de richtlijn. Daardoor wordt nog duidelijker dan bij de huidige tekst in de artikelen 9, 10, 11 en 12, eerste lid, respectievelijk onderdeel g, e, g en d, van de Wet op de architectentitel dat het om een categorie uitzonderlijke personen gaat die op grond van dat artikel in aanmerking komen voor het certificaat, inhoudende dat de betrokkene zich door zijn prestaties in het bijzonder heeft onderscheiden.
Voorts is de certificaatverlening losgekoppeld van het verlenen van ontheffing van het examen voor personen, die langdurig werkzaam zijn op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur en niet in het bezit zijn van het voor de inschrijving in het register vereiste getuigschrift (het voorgestelde artikel 12b van de Wet op de architectentitel).
In het voorgestelde artikel 12a, tweede lid, van de Wet op de architectentitel is voorts opgenomen dat een persoon die in het architectenregister staat ingeschreven onder een bepaalde titel, maar die gedurende een lange periode intensief beroepsmatig werkzaam is op het gebied van één van de andere drie disciplines waarvoor op grond van inschrijving in het architectenregister titelbescherming geldt, zich onder de titel van die discipline kan inschrijven. Het ontbreken van het daarvoor vereiste diploma staat dat thans niet toe. De mogelijkheid om een examen af te leggen al dan niet na gedeeltelijke vrijstelling door de examencommissie wordt door die ingeschrevenen vaak als een onderwaardering van hun prestaties op dat gebied gezien. Toepassing van artikel 12a, eerste lid, op deze personen is oneigenlijk. In het voorgestelde tweede en derde lid van artikel 12a zijn twee eisen opgenomen. Betrokkene moet staan ingeschreven in het architectenregister op basis van een getuigschrift als bedoeld in het voorgestelde artikel 9, 10, 11 of 12, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de Wet op de architectentitel. Voorts dient hij te voldoen aan de krachtens het voorgestelde derde lid van artikel 12a van de Wet op de architectentitel door het bureau architectenregister te stellen nadere eisen. Die nadere eisen behoeven niet te resulteren in het afleggen van een examen dat vergelijkbaar is met het examen dat wordt bedoeld in het voorgestelde artikel 12b van de Wet op de architectentitel. Zij kunnen zich beperken tot het tonen van het ontworpen uitgevoerde werk.
Het voorgestelde artikel 12b van de Wet op de architectentitel heeft betrekking op het examen voor personen die langdurig werkzaam zijn op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur, maar zich niet kunnen laten inschrijven in het register omdat zij niet het daarvoor vereiste getuigschrift hebben.
De regeling van het examen wordt opgedragen aan hetbureau architectenregister. Het bureau dient bij de voorbereiding van de vaststelling of wijziging van die regels het beroepsveld en de betrokken onderwijsinstellingen in te schakelen. De twee toelatingseisen die in het Examenbesluit Wet op de architectentitel en in de daarop gebaseerde examenreglementen zijn gesteld, worden in het voorgestelde tweede lid van artikel 12b van de Wet op de architectentitel opgenomen. Die eisen hebben betrekking op een beroepservaring van ten minste zeven jaar op het vakgebied waarvoor het examen wordt afgelegd en voorafgaande betaling van het examengeld.
In het voorgestelde derde lid worden enkele onderwerpen genoemd waaraan in ieder geval in de regels met betrekking tot het examen aandacht dient te worden geschonken. Overigens ligt het in de rede dat het bureau architectenregister het Examenbesluit Wet op de architectentitel en de examenreglementen van de vier examencommissies als uitgangspunt neemt voor de op te stellen regels.
Het voorgestelde artikel 12c van de Wet op de architectentitel strekt ertoe om uitsluitend die personen in te schrijven in het register die in de betrokken staat of in het derde land waar zij hun opleidingstitel hebben behaald gerechtigd zijn beroepsmatig werkzaamheden te verrichten op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur. Voor wat betreft personen die afkomstig zijn uit een betrokken staat spoort dat uitgangspunt met artikel 1 van de richtlijn erkenning beroepskwalificaties.
Onderdeel M (artikelen 12d en 12e)
De voorgestelde artikelen 12d en 12e van de Wet op de architectentitel hebben betrekking op de beroepservaringperiode. In hoofdstuk 2 van deze memorie van toelichting worden de redenen genoemd, die ten grondslag liggen aan het feit dat een persoon na het behalen van het voor de inschrijving in het architectenregister vereiste getuigschrift of diploma zich eerst kan inschrijven in het register nadat hij met goed gevolg een tweejarige beroepservaringperiode heeft afgesloten. Dat vereiste is neergelegd in het voorgestelde eerste lid van artikel 12d van de Wet op de architectentitel.
Die wijziging strekt ertoe om toekomstige beroepsbeoefenaren beter toe te rusten op het beroepsmatig uitoefenen van hun vak. Gelet daarop is in het eerste lid van dat artikel uitdrukkelijk bepaald dat ook op andere wijze beroepservaring kan worden opgedaan dan in het kader van de in dat lid bedoelde beroepservaringperiode.
Een persoon die de beroepservaringperiode wenst te doorlopen is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect die hem begeleidt. Die begeleiding vindt plaats door een in het architectenregister ingeschreven beroepsbeoefenaar, die ten minste drie jaar beroepsmatig werkzaam is in het beroep, waarvoor die persoon zich in het architectenregister wil laten inschrijven. De persoon die de beroepservaringperiode doorloopt en werkt bij een bureau of een overheidsinstelling van zijn discipline vindt die begeleiding in de regel bij dat bureau of die overheidsinstelling. Een persoon die een eigen bureau wenst te starten zal aangewezen zijn op beroepsbeoefenaren die als buitenmentor willen fungeren. De verantwoordelijkheid voor het zoeken en vinden van een begeleider ligt bij de betrokkene. Indien de betrokkene ondanks intensieve inspanning van zijn kant er niet in slaagt een begeleider te vinden, kan hij het bureau architectenregister vragen zijn invloed aan te wenden voor het vinden van een begeleider.
De tweejarige beroepservaring kan alleen slagen indien onder de ingeschrevenen in het architectenregister een daadwerkelijke bereidheid bestaat om die begeleiding op zich te nemen. Het bureau architectenregister heeft een signaleringsfunctie indien het vinden van een begeleider tijdens de beroepservaringperiode ondanks zijn inspanningen voor pas afgestudeerden bij herhaling een knelpunt blijkt te zijn.
Nadat het onderhavige wetsvoorstel tot wet is verheven, zullen overigens de artikelen 12d en 12e van de Wet op de architectentitel, zoals in hoofdstuk 5 van deze memorie van toelichting reeds is opgemerkt, niet direct in werking treden na plaatsing van de wet tot wijziging van de Wet op de architectentitel in het Staatsblad. Zolang die artikelen niet in werking zijn getreden, kunnen personen in het architectenregister worden ingeschreven uitsluitend op grond van het vereiste getuigschrift.
In het tweede lid van artikel 12d van de Wet op de architectentitel is voorts een ruime overgangsregeling getroffen, die is gekoppeld aan de bekendmaking van de regels omtrent de inrichting van de tweejarige beroepservaring. Studenten die in het jaar van die bekendmaking of in de twee daaropvolgende jaren afstuderen kunnen zich nog laten inschrijven in het architectenregister op basis van het vereiste getuigschrift.
In het voorgestelde artikel 12e van de Wet op de architectentitel is op hoofdlijnen de inhoud opgenomen van de te stellen regels met betrekking tot de beroepservaringperiode. Duidelijkheid dient te worden verschaft over het niveau aan kennis, inzicht en vaardigheden waarover een persoon die de beroepservaringperiode heeft doorlopen ten minste dient te beschikken, de wijze waarop die periode wordt afgesloten en de voorwaarden waaronder gehele of gedeeltelijke vrijstelling kan worden verkregen. Tenslotte dient er een voorziening te worden getroffen in geval van een conflict tussen de begeleider en de persoon die onder zijn begeleiding de tweejarige beroepservaringperiode doorloopt.
De opleidingen bij de Academies van Bouwkunst kenmerken zich door het feit dat in de opleiding plaats is ingeruimd voor de beroepspraktijk. Daardoor zullen studenten die met goed gevolg een opleiding aan die academies hebben afgesloten in de regel beter toegerust zijn op de eisen die de praktijk aan een beroepsbeoefenaar stelt dan studenten die het vereiste getuigschrift hebben behaald aan één van de universiteiten. De vierjarige opleiding aan de academies valt uiteen in een binnen- en een buitenschools deel. Het buitenschoolse deel wordt gerealiseerd doordat de student gedurende de opleidingsperiode in de beroepspraktijk werkt. Met het lerend werken in de beroepspraktijk verdient hij de helft van de benodigde studiepunten. Het buitenschoolse curriculum van de Academies van Bouwkunst heeft betrekking op de disciplines architectuur, stedenbouw en tuin- en landschap.
In opdracht van de Rijksbouwmeester heeft een commissie onder voorzitterschap van architect Thijs Asselbergs in het najaar van 2007 een onderzoek gedaan naar het buitenschoolse curriculum van de Academies van Bouwkunst en de vraag of het buitenschoolse curriculum in overeenstemming is met een 2-jarige beroepservaringperiode1. De commissie is van mening dat het buitenschoolse curriculum van de Academies van Bouwkunst ondanks de door haar bepleite verbeteringen, binnen de huidige context voldoende kwaliteit heeft om opname van afgestudeerden in het architectenregister te rechtvaardigen. Voor wat betreft de nabije toekomst is de commissie van mening dat opname in het register afhankelijk is van wat in de nieuwe Wet op de architectentitel over het inschrijvingsniveau voor het register, te weten voor de beroepservaringperiode, nog door het bureau architectenregister vastgelegd zal worden.
De commissie is positief over het opleidingsmodel van de Academies van Bouwkunst, maar concludeert ook dat er verbeteringen in het buitenschoolse deel nodig en mogelijk zijn. Die betreffen onder meer de relatie met de werkgevers die zich bewuster kunnen worden van hun verantwoordelijkheid en een grotere aandacht voor het mentorschap, dat een wezenlijk onderdeel van het onderwijssysteem zou moeten uitmaken. Verder beveelt de commissie onder meer aan de competenties voor stedenbouwkunde en tuin- en landschapsarchitectuur meer in overeenstemming te brengen met wat op die gebieden in de praktijk nodig is. Het Landelijk Overleg Bouwkunstopleidingen (LOBO) heeft toegezegd actie te ondernemen om de aanbevelingen tot uitvoering te brengen.
In het voorgestelde artikel 12d, derde lid, van de Wet op de architectentitel is de mogelijkheid van een algemene vrijstelling opgenomen voor afgestudeerden aan de Academies van Bouwkunst indien de inrichting van het buitenschoolse deel qua niveau en mentorschap vergelijkbaar is met de inrichting van de tweejarige beroepservaringperiode in de nadere regels van het bureau architectenregister. Teneinde die afstemming zo efficiënt en snel mogelijk te laten verlopen is het noodzakelijk om de onderwijsinstellingen te betrekken bij de voorbereiding van de inrichting van de tweejarige beroepservaringperiode. Het bureau architectenregister besluit tot die vrijstelling op grond van de in het derde lid van artikel 12d genoemde criteria. Het besluit kan per academie en per opleiding worden genomen. Het besluit geeft tenslotte duidelijk aan welk aanvangstijdstip van de opleiding bepalend is om onder het besluit te vallen.
Naast die generieke vrijstellingsmogelijkheid voor de Academies van Bouwkunst wordt in de regels met betrekking tot de tweejarige beroepservaringperiode krachtens het voorgestelde artikel 12e, tweede lid, van de Wet op de architectentitel een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen voor onderdelen of gedeelten van de beroepservaringperiode. Die vrijstelling kan door een persoon worden aangevraagd die in het bezit is van het vereiste getuigschrift, maar ook door een universiteit of Academie van Bouwkunst, indien die academie nog niet in aanmerking komt voor de generieke vrijstelling, bedoeld in het voorgestelde artikel 12d, derde lid, van de Wet op de architectentitel. In de regeling dienen de voorwaarden te worden geformuleerd die tot een gedeeltelijke vrijstelling kunnen leiden. Gedeeltelijke vrijstelling zal slechts mogelijk zijn indien aangetoond wordt dat ervaring is opgedaan onder begeleiding van een persoon die bij de aanvang van die begeleiding ten minste drie jaar blijkens zijn inschrijving in het architectenregister beroepsmatig werkzaam is met gebruikmaking van de titel waaronder de persoon die hij begeleidt zich uiteindelijk wenst in te schrijven in het architectenregister.
De vrijstellingsbepalingen dienen personen een kader te bieden waarop zij tijdens hun studie kunnen inspelen door in die periode onder begeleiding of in samenspel met in het architectenregister ingeschrevenen vaardigheden te ontwikkelen of praktische kennis te verbreden of verdiepen.
Onderdeel O (artikel 13)
De voorgestelde eerste twee leden van artikel 13 van de Wet op de architectentitel vervangen het huidige eerste lid van dat artikel.
In het voorgestelde eerste lid is opgenomen welke stukken in ieder geval moeten worden gevoegd bij het verzoek tot inschrijving.
Op de beslissing omtrent een verzoek om inschrijving of de aanvraag om erkenning van een getuigschrift dat in het buitenland is behaald is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Enkele bepalingen in de Wet op de architectentitel worden reeds geregeld in de Algemene wet bestuursrecht en kunnen derhalve vervallen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bepaling in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de architectentitel dat bij de indiening van het verzoek tot inschrijving in het register gebruik gemaakt dient te worden van een door het bureau architectenregister vastgesteld formulier. Dat onderwerp wordt geregeld in artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Een ander voorbeeld is artikel 15, eerste lid, van de Wet op de architectentitel. Daarin is opgenomen dat een besluit tot weigering van inschrijving eerst wordt genomen nadat de indiener van het verzoek tot inschrijving in de gelegenheid is gesteld aanvullende bewijsstukken ter ondersteuning van het verzoek over te leggen. Die bepaling kan komen te vervallen omdat artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht daarin voorziet.
Het voorgestelde tweede lid van artikel 13 van de Wet op de architectentitel komt overeen met de laatste zin van het huidige artikel 13, eerste lid. De redactie van het tweede lid is aangepast aan de terminologie van de Algemene wet bestuursrecht. Zolang de betaling voor de behandeling van een verzoek tot inschrijving of van een aanvraag om erkenning niet door het bureau architectenregister is ontvangen wordt het verzoek of de aanvraag buiten behandeling gelaten in plaats van de fictie dat het verzoek of de aanvraag niet is ingediend.
De overige wijzigingen in artikel 13 van de Wet op de architectentitel hebben uitsluitend betrekking op noodzakelijke wijzigingen van wetstechnische aard als gevolg van verlettering in de artikelen waarnaar wordt verwezen.
Onderdeel P (artikel 15)
Zoals reeds is opgemerkt in de toelichting op onderdeel O, kan het eerste lid van artikel 15 van de Wet op de architectentitel vervallen vanwege het feit dat de Algemene wet bestuursrecht een dergelijke bepaling kent. Dat geldt niet voor de bepaling in het tweede lid. Die bepaling voorziet in de mogelijkheid dat het bureau architectenregister een persoon oproept, die een verzoek tot inschrijving indient of een aanvraag om erkenning van een door hem in een andere betrokken staat of in een derde land behaald diploma, indien er twijfel is of de schriftelijk gepresenteerde feiten ook daadwerkelijk kloppen. Een enkele keer is van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Om die reden wordt die bepaling in de Wet op de architectentitel gehandhaafd.
Onderdelen Q, R, S, T en X (artikelen 16, 17, 18, 21 en 24)
De in de onderdelen Q, R, S, T en Xvoorgestelde wijzigingen in de artikelen 16, 17, 18, 21 en 24 van de Wet op de architectentitel hebben uitsluitend betrekking op noodzakelijke wijzigingen van wetstechnische aard als gevolg van verlettering in de artikelen waarnaar wordt verwezen.
Onderdeel U (artikel 22)
Op basis van artikel 22 van de Wet op de architectentitel bestaat de mogelijkheid om het verstrekken van informatie of een persoon in het architectenregister staat ingeschreven en onder welke titel tegen betaling te verstrekken. Er is door het bureau architectenregister geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voor deze vorm van informatieverstrekking een vergoeding in rekening te brengen. Gelet op het feit dat het wetsvoorstel beoogt de positie van de consument te versterken jegens in het architectenregister ingeschreven personen, verdient het aanbeveling dat de informatie of een persoon in het register staat ingeschreven en zo ja, onder welke titel laagdrempelig beschikbaar is en wordt verstrekt. Om die reden is de informatieverstrekking gratis. Die gratis verstrekking volgt uit de wijziging van artikel 22, eerste lid, van de Wet op de architectentitel en uit het feit dat die informatieverstrekking niet is opgenomen in het voorgestelde artikel 8 van de Wet op de architectentitel.
Onderdeel V (artikel 23)
De voorgestelde wijziging in artikel 23, tweede lid, van de Wet op de architectentitel hangt samen met het voorstel om aan de begripsomschrijvingen in artikel 1 van de Wet op de architectentitel de omschrijving van het begrip beroepsorganisatie toe te voegen.
Het voorgestelde vijfde lid van artikel 23 van de Wet op de architectentitel strekt er toe om duidelijk te maken dat beoefenaren van beroepen, die in het spraakgebruik worden aangeduid met een benaming, waarin het woord architect voorkomt, maar waarvan de werkzaamheden niets te maken hebben met die van een architect, zoals bijvoorbeeld automatiseringsarchitect, die benaming kunnen blijven gebruiken zonder iets te duchten te hebben van een actie dat zij ten onrechte die benaming voeren.
Onderdeel W (artikel 23a)
De Wet op de architectentitel heeft betrekking op natuurlijke personen. Architectenbureaus en bureaus voor stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur kunnen zich, ongeacht hun rechtsvorm, niet inschrijven in het register. Hierdoor zijn bureaus per definitie niet titelgerechtigd. Een consequente doorvoering van dit uitgangspunt zou betekenen dat een bureau zich geen architectenbureau zou mogen noemen. Uit de rechtspraak blijkt dat de rechter die gevolgtrekking te ver vindt gaan.
De Hoge Raad gaf in zijn arrest van 15 december 2000 (C99/111HR) te kennen dat de Wet op de architectentitel ook op rechtspersonen van toepassing is. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de wet geen grondslag biedt voor de eis dat ten minste de helft van de directie van een rechtspersoon staat ingeschreven in het register, aangezien een wettelijke grondslag daartoe ontbreekt.
De Hoge Raad overwoog dat uit het oogpunt van consumentenbescherming wel van een bureau dat de architectentitel in enigerlei vorm in of bij haar bureaunaam voert, verwacht mag worden dat de bouwkundige werkzaamheden van dat bureau door of onder de feitelijke leiding van een architect worden uitgevoerd. Dat criterium is in de praktijk moeilijk te handhaven. De SBA heeft er geen zicht op of de titelgerechtigde aan het bureau verbonden blijft en of deze daadwerkelijk belast is met de uitvoering van of de feitelijke leiding over de bouwkundige werkzaamheden.
Sommige bureaus omzeilen het criterium door zich te begeven in voortdurende schijnsollicitatieprocedures en opvolgende tijdelijke contracten met een titelgerechtigde. Continuïteit van kwaliteit van bouwkundige en architectonische dienstverlening is hier in het geding. Ter voorkoming van nodeloos procederen en ter beperking van onnodige belasting van het gerechtelijk apparaat wordt artikel 23a voorgesteld. In dit artikel wordt bepaald dat een bureau slechts bevoegd is een door de wet beschermde titel in of bij haar naam te vermelden, indien ten minste de helft van de bestuurders, (commanditaire) vennoten of maten van dat bureau gerechtigd zijn de desbetreffende titels te voeren (50% eis). Bewust wordt in artikel 23a de algemene term "bureau" genoemd in plaats van het juridische begrip "rechtspersoon", omdat de voorwaarde dient te gelden ongeacht de rechtsvorm van een bureau (besloten vennootschap, vennootschap onder firma, eenmanszaak). Het tweede lid heeft betrekking op het gebruik van persoonsnamen in bureaunamen in combinatie met een beschermde titel. Hierover zijn door de SBA verschillende gerechtelijke procedures gevoerd wegens het ontbreken van een wettelijke bepaling. Overeenkomstig de arresten van verschillende gerechtshoven strekt het tweede lid er toe dat een bureau dat aan de vorenbedoelde 50% eis voldoet slechts gerechtigd is in of bij haar bureaunaam een door de wet beschermde titel te combineren met namen van natuurlijke personen, indien die personen onder de betreffende titel staan ingeschreven in het architectenregister. Door artikel 23a wordt de positie van titelgerechtigden binnen bureaus versterkt en krijgt de consument de garantie dat zijn opdracht daadwerkelijk door of onder leiding van een gekwalificeerde en titelgerechtigde ontwerper wordt uitgevoerd. Hiermee wordt voldaan aan de doelstelling om de wet tot een krachtiger kwaliteitsinstrument te maken.
Onderdeel AA (artikel 27a)
De voorgestelde wijziging in artikel 27a, eerste lid, van de Wet op de architectentitel strekt er toe om de bij- en nascholingsverplichting uit te breiden tot de in het architectenregister ingeschreven stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect. Het voorgestelde tweede lid van artikel 27a van de Wet op de architectentitel wijkt redactioneel en inhoudelijk af van het huidige tweede lid. De melding ter zake van het niet langer beroepsmatig actief zijn als ontwerper wordt vervangen door het verzoek om in het register te worden aangemerkt als niet langer beroepsmatig actief. De noodzaak tot het aanbrengen van een onderscheid in het register tussen ingeschreven ontwerpers die een dergelijk verzoek hebben gedaan en ingeschreven ontwerpers die een dergelijk verzoek niet hebben gedaan is daarmee een feit. Om die reden ontbreekt in het voorgestelde artikel 27a van de Wet op de architectentitel het vijfde lid van het huidige artikel 27a. In het voorgestelde tweede lid wordt een persoon die in het architectenregister is ingeschreven als dienstverrichter uitdrukkelijk uitgezonderd van de bij- en nascholingsverplichting. De procedureregels die van toepassing zijn op de beleidsregels ter zake van passende bij- en nascholing worden geregeld in het voorgestelde artikel 4, vierde lid, van de Wet op de architectentitel. Het voorgestelde derde lid is daarmee in overeenstemming gebracht.
Onderdeel BB (artikel 27aa)
Het voorgestelde artikel 27aa van de Wet op de architectentitel legt aan een ingeschrevene in het architectenregister een verplichting op om een persoon die hem om een offerte vraagt te informeren over zijn deskundigheid en vakbekwaamheid, daaronder begrepen de gevolgde bij- en nascholingsactiviteiten en enkele andere van belang zijnde onderwerpen, zoals het al dan niet gedekt zijn van de gevraagde werkzaamheden door een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Die informatieplicht komt in de plaats van de voorgestelde gedragsregels in het in paragraaf 1.3 van deze memorie van toelichting reeds genoemde advies van de Rijksbouwmeester. Het voordeel van die oplossing is dat er geen nadere regels behoeven te worden gesteld ter uitwerking van gedragsregels.
Onderdeel EE (artikelen 28 tot en met 30)
Onderdeel EE heeft betrekking op het in de Wet op de architectentitel in te voegen nieuw hoofdstuk VIIA. Dit hoofdstuk bevat enkele overgangsbepalingen, die uit een oogpunt van transparantie in de Wet op de architectentitel worden geregeld.
Het voorgestelde artikel 28 van de Wet op de architectentitel garandeert dat een ieder die ingeschreven is in het architectenregister op het moment dat het register van de SBA overgaat op het bureau architectenregister ook daarna ingeschreven blijft. Indien het onderhavige wetsvoorstel tot wet wordt verheven, zullen, zoals in hoofdstuk 5 van deze memorie reeds is opgemerkt, de artikelen en onderdelen van artikelen van die wet, die te maken hebben met de omzetting van de privaatrechtelijke grondslag van het SBA naar een publiekrechtelijke grondslag als eerste van die wet in werking treden. Uiteraard kan een ingeschrevene na die overgang te allen tijde besluiten zich uit te schrijven en kan ook het bureau de inschrijving doorhalen indien daartoe wettelijke redenen zijn. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het niet betalen van de jaarlijkse vergoeding voor de instandhouding van de inschrijving. Voorts stelt het voorgestelde tweede lid van artikel 28 veilig dat verzoeken om doorhalingen in het architectenregister door de SBA in behandeling worden genomen door het bureau architectenregister.
In de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 9 tot en met 12 van de Wet op de architectentitel worden niet langer getuigschriften van opleidingen op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur genoemd, die niet meer bestaan of waarvan wordt voorgesteld die opleidingen te vervangen door opleidingen op een hoger niveau (interieurarchitecten).
Het voorgesteldeartikel 29, eerste lid, van de Wet op de architectentitel strekt er toe om de inschrijving in het architectenregister als architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect te waarborgen voor degenen die in het bezit zijn van een in Nederland behaald getuigschrift, dat krachtens artikel 9, 10, 11 of 12 van de Wet op de architectentitel recht geeft op inschrijving in het architectenregister. In het voorgestelde artikel 29, eerste lid, wordt een tijdstip genoemd, waarop men in bezit moet zijn geweest van zo'n getuigschrift. Dat tijdstip is het tijdstip van inwerkingtreding van de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de artikelen 9 tot en met 12 van de Wet op de architectentitel. Aan dat tijdstip wordt ook gerefereerd in het voorgestelde derde lid van artikel 29 van de Wet op de architectentitel.
Aan de personen die in het bezit zijn van een getuigschrift waarvan de opleiding niet meer bestaat op het tijdstip, bedoeld in het voorgestelde artikel 29, eerste lid, van de Wet op de architectentitel, wordt niet de eis gesteld van een tweejarige beroepservaring. Er wordt van de veronderstelling uitgegaan dat die personen die ervaring inmiddels al in de praktijk hebben opgedaan. In het voorgestelde artikel 29, tweede lid, worden aan een verzoek om inschrijving krachtens het eerste lid de gebruikelijke eisen gesteld die aan de indiening van een verzoek om inschrijving in het architectenregister worden gesteld, daaronder begrepen de betaling vooraf van de vergoeding voor de behandeling daarvan.
In het voorgestelde artikel 12 van de Wet op de architectentitel wordt voor de inschrijving in het architectenregister aan interieurarchitecten hetzelfde niveau aan opleiding geëist, die de artikelen 9, 10 en 11 van de Wet op de architectentitel stellen aan respectievelijk architecten, stedenbouwkundigen en tuin- en landschapsarchitecten. Het voorgestelde artikel29, derde lid, van de Wet op de architectentitel strekt ertoe om personen die in Nederland een niet masteropleiding voor interieurarchitect volgden, op het tijdstip, waarop het voorgestelde artikel 12 in werking treedt, in staat te stellen zich in te schrijven in het architectenregister na het behalen van het getuigschrift van die niet masteropleiding. De persoon die zich krachtens artikel 29, derde lid, van de Wet op de architectentitel wenst in te schrijven in het architectenregister wordt niet krachtens dat derde lid automatisch vrijgesteld van de eis van het volgen van de tweejarige beroepservaringperiode. Die persoon valt onder het regime van het voorgestelde artikel 12d van de Wet op de architectentitel. Indien in de periode voorafgaand aan het behalen van dat getuigschrift reeds regels voor een beroepservaringperiode voor interieurarchitecten zijn bekendgemaakt en de periode van het lopende kalenderjaar en de twee daaropvolgende kalenderjaren is verstreken gelden voor die persoon de wettelijke voorschriften met betrekking tot beroepservaring. Dit volgt uit de aanhef van het voorgestelde artikel 29, derde lid, van de Wet op de architectentitel. Die aanhef voorziet tevens in de toepassing van het voorgestelde artikel 13, eerste en tweede lid, van de Wet op de architectentitel op een verzoek om inschrijving krachtens dat derde lid.
Artikel II
In artikel II wordt een omschrijving gegeven van enkele veel voorkomende begrippen in de artikelen III tot en met VII van het wetsvoorstel.
Artikelen III tot en met V
De voorgestelde artikelen III tot en met V zijn gebruikelijke bepalingen bij verzelfstandiging van een departementsonderdeel. Dergelijke bepalingen zijn ook noodzakelijk voor de omzetting van de privaatrechtelijke grondslag van een zelfstandig bestuursorgaan naar een publiekrechtelijke grondslag. Het voorgestelde artikel III stelt de rechtspositie veilig van de medewerkers van de SBA. Zij dienen volgens een gelijke rechtspositie te worden aangesteld bij het bureau architectenregister. In het voorgestelde tweede lid van artikel III worden de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries niet van toepassing verklaard op medewerkers op de lijst. Dat is om te voorkomen dat het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het financieel nadeel dient bij te passen dat die medewerkers lijden door een pensioenbreuk. Op nieuw aan te stellen medewerkers zijn die regels wel van toepassing, aangezien artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet is uitgesloten in het voorgestelde artikel 2a van de Wet op de architectentitel.
Het voorgestelde artikel IV regelt de overgang van de vermogensbestanddelen van de SBA naar het bureau architectenregister. Tot die vermogensbestanddelen behoort in ieder geval het architectenregister en al datgene dat verband houdt met de instandhouding en het beheer daarvan. Voorts strekt die bepaling er ook toe om probleemloos de rechten en verplichtingen van de SBA over te hevelen naar het bureau architectenregister.
Gelet op het feit dat het van belang is om de verhoging van de vergoedingen binnen redelijke grenzen te houden wordt voorgesteld om de overgang van de vermogensbestanddelen niet fiscaal belastbaar te maken.
Het voorgestelde artikel V regelt de overgang van archiefbescheiden.
De artikelen III, IV en V zijn zoveel mogelijk gelijkluidend geformuleerd als wordt aanbevolen door de Aanwijzingen voor de regelgeving. Aangezien de SBA een privaatrechtelijke grondslag heeft, maakt zij evenwel geen deel uit van de Staat. Om die reden wordt in die artikelen anders dan bij de modelbepalingen in de Aanwijzingen de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer genoemd in plaats van de Minister van Financiën.
Artikel VI
Het voorgestelde artikel VI regelt de overname door het bureau architectenregister van de bij de SBA in behandeling zijnde aanvragen om in het architectenregister te worden ingeschreven of van door de stichting gestarte doorhalingen en voorziet in de voortzetting door het bureau architectenregister van alle lopende procedures tegen de SBA en de verantwoordelijke ministers of tegen derden die door de SBA zijn aangespannen.
Sedert de inwerkingtreding van de Wet op de architectentitel tot aan de indiening van dit wetsvoorstel zijn geen procedures aangespannen bij de Ombudsman. Het tweede lid is evenwel opgenomen om het risico uit te sluiten dat een burger van wie een klacht in onderzoek is bij de Ombudsman verneemt dat zijn klacht buiten behandeling blijft omdat de rechtspersoon in kwestie niet meer bestaat of de betrokken minister geen bevoegdheid meer heeft.
Artikel VII
Het voorgestelde artikel VII strekt ertoe om indien onverhoopt geen masteropleiding kan worden gevolgd op het tijdstip waarop het voorgestelde artikel 12 van de Wet op de architectentitel in werking treedt ook personen die daarna zijn begonnen met een niet-masteropleiding op het gebied van interieurarchitectuur de mogelijkheid te bieden om zich gedurende een bepaalde periode in het architectenregister te laten schrijven op grond van een getuigschrift van zo'n opleiding. De Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Mielieubeheer en van Onderwijs, Cultuur en Werenschap bepalen de duur van die periode. Op die wijze kan het meest effectief worden ingespeeld op thans niet voorziene toekomstige omstandigheden. De kans dat dit artikel daadwerkelijk wordt toegepast is gelet op paragraaf 2.6 van deze memorie van toelichting vrij gering.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
- De evaluatiecommissie bestond uit: Thijs Asselbergs (architect, voorzitter), Marina Roosebeek (architect, Academie van Bouwkunst Amsterdam), Dolf Dobbelaar (architect), Steef Luijten (architect), Rein Geurtsen (stedenbouw), Paul van Beek (landschap) en Jan Boerke (secretaris, NQA te Utrecht).
