WIE

Aan de wijziging van de Wet op de Architectentitel is acht jaar voorbereiding voorafgegaan. Eerstverantwoordelijk is de minister van VROM. De Rijksbouwmeester is als adviseur intensief betrokken bij de voorgenomen wetswijziging.

De Technische Universiteiten van Delft en Eindhoven, de Universiteit Wageningen, het Landelijke Overleg Bouwkunstopleidingen (LOBO), het Overleg Beeldende Kunsten (OBK), de HBO-raad, de vier beroepsorganisaties (BNA, BNSP, NVTL, BNI), en de ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn betrokken geweest bij de voorbereiding van het nieuwe wetsvoorstel. Vertegenwoordigers van bovengenoemde partijen vormen de klankbordgroep. De wenselijkheid en noodzakelijkheid van het opdoen van beroepservaring door afgestudeerde ontwerpers is uitgebreid afgestemd en wordt breed gedragen. Alle genoemde partijen steunen de voorgenomen wijziging van de wet op de architectentitel.

De uitvoering van de Wet op de architectentitel voor wat betreft het bijhouden van het register is op dit moment ondergebracht  bij de Stichting Bureau Architectenregister (SBA). De SBA wordt in het wetsvoorstel aangewezen om in samenwerking met andere betrokken partijen uitvoering te geven aan de uit de wetswijziging voortvloeiende maatregelen en aan de voorgestelde omvorming van de SBA van privaatrechtelijk tot publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan. De Rijksbouwmeester heeft de SBA verzocht daarvoor een projectgroep in het leven te roepen. De projectgroep WAT is in mei 2009 van start gegaan en staat onder voorzitterschap van voormalig Rijksbouwmeester Kees Rijnboutt.

In september 2003 heeft de voormalig Rijksbouwmeester prof. ir. Jo Coenen het initiatief genomen tot het Experiment Beroepservaring Jonge Architecten. Het Experiment heeft ten doel jonge, pas afgestudeerde architecten praktijkervaring te laten opdoen en voor te bereiden op een volwaardige beroepsuitoefening als architect. De beroepservaringperiode is uitvoerig en succesvol getest tijdens het Experiment. Uit evaluaties van het Experiment blijkt dat deelname aan zo'n tweejarig programma voor wat betreft het opdoen van beroepservaring een wenselijke en noodzakelijke aanvulling is op de reguliere opleidingen.